Suriname 2006

Suriname 2006

Op dinsdag 29 augustus vliegen Sander en ik naar Suriname. Het lijkt me een geweldig land, al kan ik de exacte reden niet uitleggen. Het is meer een gevoel en misschien komt het wel doordat ik als jong meisje veel bij Surinaamse mensen kwam? In het toestel voel ik me echter weer een CLAUStrofobisch ingeblikt sardientje. Gelukkig heb ik deze keer mijn mp3-speler meegenomen, waardoor ik mezelf even kan afsluiten van mijn mede-sardientjes.

Acht uur later landen we op luchthaven Zanderij. Het is een kleine luchthaven en we mogen daarom gewoon op de landingsbaan uitstappen. De lucht is vochtig en warm, waardoor ik al direct voel dat er een koortslip begint te groeien. Het duurt allemaal erg lang op de luchthaven, maar uiteindelijk zijn dan toch alle papieren gecheckt en hebben we onze koffers weer gevonden. 

We worden om 20:00 uur bij hotel North Resort afgezet. Op onze hotelkamer ligt een briefje en hieruit blijkt dat ze onze excursies flink hebben omgegooid. De kamer is verder okay, alleen het schoteltje in de kast met muizengif is iets minder. Op het aanrecht zien we inderdaad ook kleine keuteltjes liggen. We gaan eerst douchen en dan kijken we nog even televisie in bed.

Ik ga de volgende ochtend direct de omgeving verkennen. Het is een klein hotelletje met ongeveer zestien kamers, waarvan er slechts drie bezet zijn. Alle kamers zijn op de begane grond, maar het is duidelijk dat er in de toekomst nog een extra verdieping zal komen. Verder is er een klein zwembad, een ongezellig restaurantje en een verwaarloost basketbalveld. Inmiddels is Sander ook wakker en dus gaan we samen richting het ontbijt. 

Het stelt echter zo weinig voor, dat we er in eerste instantie gewoon aan voorbijlopen. Gelukkig is het personeel wel erg vriendelijk. De eigenaresse is een oudere dame en Derrick is de manager. Er werkt ook nog een meisje achter de receptie en eentje in de schoonmaak. Derrick vertelt ons direct dat het gif voor een hagedis, die achter onze airco woont, bestemd is. Een hagedisje is wel gezellig, daar hebben we in Jamaica ook al eens een kamer mee gedeeld. 

We vertellen hem dat we naar het centrum willen wandelen, maar hij verklaart ons voor gek. Het zou echter een uurtje lopen moeten zijn en dus blijven wij eigenwijs volhouden. Derrick tekent voor de zekerheid een plattengrondje, zodat we niet kunnen verdwalen en dan gaan we op pad. We lopen langs de kant van de weg en daar waar de Jamaicanen onrustig toeteren en je met een grote boog ontwijken…lijken de Surinamers je juist uit je teenslippers te willen rijden! Ik probeer stoer mijn weg te vervolgen, maar soms moet ik toch echt lichaamsdelen intrekken om niet geraakt te worden.

Het is toch een behoorlijk stuk lopen en het is ook erg warm. In het centrum nemen we dus eerst iets te drinken en een gebakje. Hierna lopen we naar Fort Zeelandia. Het fort is in het verleden in handen geweest van Nederlanders en Engelsen, maar de Zeeuwen hebben destijds de naam Fort Zeelandia bedacht. Na de onafhankelijkheid is het grote standbeeld van Koningin Wilhelmina ook naar het fort verplaatst. Verder hebben hier in 1982 de Decembermoorden plaatsgevonden, waarbij vijftien mannen zijn omgekomen. 

In de binnenstad van Paramaribo staan overal mooie statige panden. Sommige houten huizen zijn netjes gerestaureerd, terwijl anderen in een hele slechte staat verkeren. Het is ook bijzonder dat hier een grote synagoge en een moskee direct naast elkaar staan. In dit land leven de verschillende nationaliteiten en religies blijkbaar vredig naast elkaar? Wel liggen de winkels erg verspreidt en het zijn ook voornamelijk juwelierszaken. We eten ergens het allerlekkerste broodje bakkeljauw en inmiddels heb ik alweer last van flinke blaren. 

Op de terugweg bezoeken we verschillende platenzaken, aangezien een vriend van ons op dit moment een hit heeft in Suriname. Vanmorgen zagen we hem ook al op de televisie en het zou dus leuk zijn om zijn single hier te kopen en het dan als souvenirtje mee naar huis te nemen. De verkopers kennen Kenneth Bron en het liedje ‘A Sama De’ wel, maar ze blijken alleen illegale kopieën te verkopen. We zijn natuurlijk erg verbaasd, aangezien dit in Nederland ondenkbaar zou zijn. 

Dan horen we bij de Waterkant wat reggae-klanken. Het is een gezellige plek aan de rivier, waar veel Creolen komen eten, drinken en socializen. We raken met een paar jongens in gesprek en samen spelen we een potje tafelvoetbal. De eigenaar van het eettentje maakt ondertussen Heri Heri voor ons; dit is gekookte cassave, bakbanaan en zoete aardappel met zoute bakkeljauw. Het eten is heerlijk en omdat de porties groot zijn, wordt de rest voor ons ingepakt. Ik voel me vanaf het eerste moment helemaal thuis in dit land en ik zou hier dus best kunnen wonen.

Toch blijken er zelfs in Suriname vooroordelen te bestaan. We horen de Creolen bijvoorbeeld zeggen dat de bosnegers (Marrons), die naar de stad komen criminelen zijn. En de Hindoestanen worden gewoon Koelies genoemd, wat eigenlijk ‘ongeschoolde loonslaaf’ betekend. Ik denk dus echt dat iedereen, overal ter wereld, anderen veroordelen: onbekend maakt nu eenmaal onbemind! In het hotel blijkt een verjaardagsfeest aan de gang te zijn, maar we zijn zo moe dat we door het oorverdovende muziek heenslapen.

Donderdagochtend 31 augustus ga ik eerst op zoek naar een wasmachine. Helaas blijkt de sleutel van het washok verdwenen te zijn, maar uiteindelijk kan ik dan toch nog even wassen. Tijdens het wachten deel ik mijn chocoladereep en blijkbaar zijn Surinaamse vrouwen hier dus ook dol op. De schone was gaat in de grote koffer, die we bij de receptie achterlaten. Met de kleine koffer gaan we de komende zes dagen op excursie naar de Wonotobo waterval. 

Met een taxi worden we naar het busstation gebracht. Dit is op een pleintje en onder de grote boom staan reeds mensen te wachten. De bus naar Nieuw Nickerie komt echter niet. Een uur later wordt er dan ineens een andere (veel kleinere) bus ingezet. Ook de prijzen zijn dan verhoogt en we twijfelen of we dit wel moeten doen? We besluiten om op het laatste moment dan toch maar in te stappen, maar hierdoor krijgen we de laatste twee stoeltjes in het gangpad. 

De bus begint direct te rijden. Sander zit met zijn knieën in zijn nek en de rugleuning van mijn stoel blijkt kapot te zijn. De reis duurt vier uur, maar in deze benarde positie lijkt het nog veel langer te duren. De rijkunsten van onze buschauffeur zijn ook nog eens belabberd. Hij slingert regelmatig over de weg alsof hij gedronken heeft. Als hij uiteindelijk in volle vaart de berm inrijdt, krijgt hij zelfs van zijn landgenoten de nodige kritiek.

We zijn dan ook blij als we eindelijk op station Nickerie aankomen en uit het busje kunnen stappen. Direct worden we door een groep taxichauffeurs besprongen. Ik word er behoorlijk zenuwachtig van en we besluiten dus om eerst van deze hysterische plek weg te lopen. Op de hoek van de straat kijken we rustig in het rond en tot onze verbazing ligt hotel Residence Inn aan de overkant van de straat. 

Nickerie is een veel rustigere plaats dan Paramaribo. Er is hier niet zoveel te beleven en de meeste mensen lijken van Hindoestaanse afkomst. We maken een korte wandeling en uiteindelijk komen we bij een simpel restaurantje uit. Er zitten al mensen binnen, maar er lijkt geen personeel aanwezig te zijn. Gelukkig haalt een behulpzame jongen de eigenaar en helpt ons met bestellen, aangezien ‘de nieuwe Chinezen’ geen Nederlands spreken. 

Het eten smaakt vers en het is heel erg lekker. Toch worden we wel een beetje afgeleid door de behulpzame jongen. Hij schenkt zichzelf telkens een groot glas Jenever in. Vervolgens drinkt hij het glas, zonder ook maar een spier te verrekken, in een paar slokken leeg. Blijkbaar ziet hij ons kijken, want hij vraag dan of wij misschien ook een glaasje water willen. Wij schieten natuurlijk in de lach, want we hadden zeker niet aan kraanwater in een Jeneverfles gedacht! 

Na het eten vraagt de jongen of wij bakoven kennen, dit blijken bananen te zijn. Hij werkt bij een bananenfabriek en legt dan een tros op ons tafeltje neer. Volgens hem zouden deze bananen goed zijn voor de spijsvertering. De porties zijn hier groot, maar toch nemen we uit beleefdheid ook nog een klein banaantje. De bevolking is dus heel erg vriendelijk en behulpzaam, zonder dat ze geld willen. Dat is ook echt een verademing, eindelijk worden we eens niet als ‘die rijke blanken uit Europa’ gezien. 

We voelen ons daarnaast ook heel veilig, want we worden op geen enkele manier lastiggevallen. De meeste mensen zijn wel verbaast als ze horen dat we slechts twee weken op vakantie zijn. Het is gebruikelijker om hier een aantal weken te verblijven of een poosje stage te lopen. Verder is Suriname een stukje goedkoper dan Nederland; een grote maaltijd kost vijf euro, twee glazen rum-cola is tweeënhalve euro en een liter bier kost slechts drie euro. 

De rest van de avond zitten we met een drankje op het buitenterras van ons hotel. Dan staat er ineens een vreemde man naast ons en dit blijkt de gids Paul te zijn. Doordat alles verschoven is, zijn wij nu de enige toeristen die met hem meegaan. Een privé-tour is natuurlijk altijd fijn! Paul is een rustige man en hij wil ons eerst iets beter leren kennen. Hij vraagt dus allerlei dingen; hoe lang wij al bij elkaar zijn, of we goed kunnen zwemmen, waar we bang voor zijn, wat we qua eten niet lusten en wat we in de avond graag drinken.

Vrijdag 1 september worden we door Paul naar de Corantijn rivier gebracht. In het water ligt een lange houten korjaalboot en ook onze kok Roy staat te wachten. Er ligt veel bagage op de boot en zelfs een oude vrieskist. Wij mogen op het voorste houten bankje, met een dun kussentje, gaan zitten. Roy propt zich ergens tussen de rommel in en Paul bestuurt aan de achterzijde de boot. Het varen duurt langer dan verwacht en het stilzitten valt me behoorlijk tegen. Daarnaast lijkt ook het kussentje met de minuut dunner te worden.

De boot lekt aan alle kanten en Roy probeert de gaten met touw op te vullen. Na twee uur in de volle zon zijn we aardig verpietert en ik begin dan ook hoofdpijn te krijgen. Gelukkig spannen de heren een plasticzeil over de boot en dat scheelt enorm. De Corantijn rivier en het regenwoud zijn prachtig. Aan de ene kant is Suriname en aan de andere kant Brits-Guyana. In het water liggen grote keien, maar Paul lijkt de rivier op zijn duimpje te kennen. We varen soms langs kleine dorpjes en we zien een overwoekerde Nederlandse trein.

Als we zes uur later nog steeds niet bij de waterval zijn, vraag ik toch maar even om uitleg. We blijken het verkeerd begrepen te hebben en het duurt dus gewoon twee dagen voordat we er zijn. Dan moet ik toch echt mijn mindset gaan aanpassen, want het heeft geen enkele zin om nog langer ongeduldig te zijn. In de avond begint het hard te waaien en de hoge golven bonken tegen de boot. Soms slaan ze ook over de rand, maar Roy probeert ze met een plastic-deksel tegen te houden. Als hij dan roept: “Jonge, ik heb gewoon wipers op mijn bril nodig!”, rollen wij bijna van het bankje af.

Het is hierdoor wel een stuk kouder geworden, maar wij krijgen een zeiltje waar we samen onder kunnen kruipen. Rond 20:00 uur komen we dan eindelijk op een klein eilandje aan, maar het is lastig te zien in het donker. Roy begint direct aan het avondeten, terwijl Paul een tentje en drie hangmatten installeert. Het tentje blijkt voor mij te zijn en de heren slapen in een hangmat. Paul heeft daarnaast ook een accu bij zich, waarop hij een lampje aansluit. We kunnen hierdoor zelfs het fototoestel even opladen.

Het voorstel om in de rivier te gaan badderen staat mij in het donker niet zo aan. Na het eten gaan we dus direct slapen. Paul waarschuwt ons nog wel even voor de vreemde geluiden die uit het oerwoud kunnen komen. Helaas blijk ik mijn tentje met een paar muggen te delen. Ik besluit om naar buiten te gaan en in de vele bakken naar een oplossing te zoeken. Ik vind inderdaad een spuitbus en begin er driftig mee door de tent te spuiten. Daarna sluit ik de boel hermetisch af: de muggen zijn inderdaad verdwenen, maar door al het gif doet mijn ademhaling ook pijn.

Zaterdagochtend word ik wakker van hele enge geluiden uit het bos. Het lijkt wel alsof ik in een scene van een goedkope horrorfilm zit en omsingelt ben door kwade geesten. Dit zullen dus de brulapen zijn, waar Paul het gisteravond over had. Daarnaast heb ik ook een gigantische jeuk en er zitten inmiddels dan ook negentien muggenbulten op mijn billen. Ik ben echter sprakeloos als ik mijn hoofd naar buiten steek. Dit is de mooiste plek waar ik ooit wakker ben geworden. Ik kijk rustig om me heen en ik luister naar de bizarre geluiden van de brulapen. Wat een geweldige ervaring is dit!

Na een tijdje zijn de heren ook wakker en dan neem ik een verfrissende duik in het water. Roy heeft inmiddels een kopje thee gezet en boterhammen gesmeerd. Ik heb er zin in om vandaag weer de hele dag op het water te mogen zijn. Helaas moet ik nog steeds ieder kwartier plassen, wat ik natuurlijk wel zo lang mogelijk probeer uit te stellen. We stoppen soms aan de oever, maar het komt ook voor dat ik midden op de rivier op een grote kei zit te plassen. De heren kijken dan telkens braaf de andere kant op en eerlijk gezegd ben ik de schaamte inmiddels wel voorbij.

Dan stopt Paul aan de Guyanese kant, waar ik even naar een echt toilet mag. Als ik echter van boord stap, zakken mijn grote wandelschoenen in de modder weg. Een man begint behulpzaam aan mijn armen te trekken, maar ik kan geen kant op en ik val dus bijna met mijn snoet in de modder. Gelukkig heb ik mijn veters niet gestrikt en hierdoor kan ik nog wel uit mijn schoenen stappen. Ik loop dus op de teenslippers van Paul met de man mee, terwijl de heren ondertussen mijn schoenen bevrijden en schoonmaken.

Begin van de middag stoppen we bij een zandstrandje voor de lunch. Ik hoor dan een hoop geritsel in de bomen en besluit een kijkje te nemen. Dan zie ik aapjes in de boom, die nieuwgierig naar beneden kijken. Ik durf me bijna niet te bewegen, omdat ik bang ben dat ik ze weg zal jagen. Dit is echt een geluksmomentje en de tranen schieten dan ook in mijn ogen. Wat is het hier prachtig! 

Aan het einde van de dag komen we op onze eindbestemming aan en hier mogen we kiezen waar we willen verblijven. We mogen aan de Surinaamse kant, in een klein Trio-Indianendorpje, overnachten. De jonge Indianen zien er echter hypermodern uit, waardoor het lijkt alsof we naar een toneelstukje zitten te kijken. Hier zullen morgen ook nog andere toeristen arriveren. De andere optie is aan de Guyanese kant, bij Patrick en zijn honden.

Patrick is een alleenstaande man en hij woont nu al tien jaar, als bewaker, op deze afgelegen plek. Het is een aardig vent en zijn manier van praten doet ons aan Jamaica denken. De grond is van een zakenman, die hier ooit is begonnen met de bouw van vakantiehuisjes. Hij kon echter meer verdienen met het kappen van bomen en hierdoor is de accommodatie inmiddels flink verwaarloost. Wij slapen gelukkig niet in de huisjes, waar de matrassen naar schimmel stinken en het toilet vol spinnen hangt.

Als we de tent en de hangmatten, onder een overkapping hebben geïnstalleerd, begint Roy direct aan het avondeten. Wij lopen dan met Paul naar een waterval toe. Terug in het kamp begint hij ons te pushen om te gaan badderen. We doen braaf wat hij zegt, maar ik weet niet zeker of we er wel echt schoon van worden? De bevolking gooit namelijk niet alleen hun etensresten in het water, maar bijvoorbeeld ook batterijen. Aan de andere kant gebruiken ze de rivier om zich te wassen, hun tanden te poetsen, voor de was en de afwas, maar ook om er een kopje thee van te zetten.

Paul wordt wel telkens boos als Roy etensresten in het water gooit, aangezien dit piranha’s lokt. Ik vind het niet erg prettig dat deze roofvissen gewoon in ‘ons badwater’ zwemmen, maar Paul zegt dat pirings minder agressief zijn dan hun soortgenoten. Roy kent echter wel mensen waarbij een kleine teen is afgebeten. Vroeger zaten er blijkbaar ook kaaimannen in de Corantijn, maar deze zouden door het jachtgedrag van de Indianen, inmiddels uitgestorven zijn.

Zondag 3 september gaan we naar de Wonotobo waterval. Het is een grote en krachtige waterval, die uit de stromingen Engelsman, Fransman, Blauwe Kraan en de Nederlander ontstaat. Een prachtige verlaten plek en door al het natuurgeweld voel je je hier behoorlijk nederig. We lopen over de grote granieten rotsblokken en bij een kleine waterval mogen we even zwemmen. Hier wassen we ook onze haren en dan krijgen we gelijk een rugmassage cadeau. 

Onderweg plukt Paul olijven, een kokosnoot, een trosje bananen en hij laat ons ook een stukje suikerriet proeven. Ik word alleen telkens tussen mijn vingers en tenen geprikt en na een tijdje zie ik een klein zwart spinnetje op mijn hand. Het blijkt een teek te zijn en mijn benen zitten inmiddels onder deze minuscule beestjes. Ze zitten soms behoorlijk vast en in mijn kuit blijft dan ook een pootje achter. Mijn hele lichaam zit inmiddels onder de bulten en wondjes van allerlei muggen, zandvliegjes, mieren en teken. 

Patrick laat ons zien dat zijn hond is aangevallen door een wild zwijn. Het beest heeft inderdaad een vieze wond, vol met vliegen, in zijn nek. In de rimboe heb je natuurlijk geen dierenarts en daarnaast zou het waarschijnlijk ook niet betaalbaar zijn. In een van de bakken heb ik echter wel een spuitbus met vloeibaar verband gezien. Paul en Roy begrijpen niet dat ik die moeite voor een hond neem, maar ik mag de spuitbus wel gebruiken. Patrick houdt zijn hond stevig vast, terwijl ik rustig over de wond spuit. 

De hond trekt dan zijn lip op en ik vermoed dat het dus een beetje prikt. Als hij ineens probeert te bijten, gooit Patrick hem snel door de lucht heen. Hij komt helaas direct weer aanrennen en dus krijgt de hond, met de platte hand, een flinke tik. Het beestje vlucht dan snel de bosjes in. Ik ben wel erg blij dat de hond mij niet heeft aangevallen. De dieren zijn hier natuurlijk ook veel wilder en verdedigen zichzelf als dat nodig is. Een paar uurtjes later ziet de wond er al veel beter en droger uit.

Paul zegt elke dag dat hij wel even een visje voor het avondeten vangt, maar tot nu toe heeft hij nog niets gevangen. Ik vond het vroeger altijd leuk om samen met Patrick te gaan vissen en dus waag ik ook een poging. Na een paar minuten hangt er inderdaad een vis aan mijn haak, maar de heren doen er wel een beetje minderwaardig over, aangezien het een piring blijkt te zijn. Ik vind het eerlijk gezegd toch stoer dat ik überhaupt iets gevangen heb! 

Overigens blijken deze piranha’s groter dan ik verwacht had. Hij is ongeveer net zo groot als mijn voet en heeft hele scherpe tandjes. Hierdoor wordt het haakje dus ook niet verwijdert, maar ik vind het zielig om de vis te zien stikken. Nu ik weet hoe een piring eruitziet, heb ik eigenlijk nog minder zin om de rivier in te gaan. Zelfs die kleine knabbelvisjes lijken steeds agressiever te worden. Daarom zeep ik me nu op de kant in en spoel ik me slechts één keer snel af.

Een paar maanden geleden ben ik gestopt met roken en inmiddels ben ik zes kilo aangekomen. Ik heb bijna altijd 68 kilo gewogen, maar na het stoppen ben ik 74 kilo geworden. Roy vindt me echter veel te dun en hij zegt dat ik nog wel wat extra rondingen kan gebruiken. Surinaamse mannen houden wel van een beetje vlees op de botten en ook de vrouwen zie je hier trots hun vetrandjes showen. Dit is toch al een reden om van Suriname te houden?! 

Maandagnacht kruip ik even uit mijn tent en dan zie ik een prachtige sterrenhemel. Sander is ook wakker en samen kijken we gezellig naar al die verlichte puntjes in de lucht. De volgende ochtend geven we bij Paul aan dat we graag een wandeling door het oerwoud willen maken, maar hij blijkt bang te zijn voor slangen. Dan vragen we het aan Patrick, aangezien hij de omgeving op zijn duimpje kent. Hij reageert heel erg enthousiast en dertig minuten later staat hij al klaar. Hij draagt groene rubberen laarzen en over zijn schouder hangt een geweer. Het tempo ligt wel direct erg hoog en ik moet bijna rennen om hem bij te kunnen houden.

De jungle is indrukwekkend. De bomen zijn enorm hoog, we zien slingerapen, in de modder staan allerlei pootafdrukken en in de lucht vliegen papagaaien. Na twee uur lopen ben ik wel behoorlijk moe en we moeten natuurlijk ook nog terug. Patrick is verbaasd, aangezien we volgens zijn planning pas halverwege zijn. We keren gelukkig om en na een tijdje begin ik achterop te raken. Patrick zegt dan vriendelijk: “Sit dung, rest ya feet!”, maar ik loop liever door. Ik heb het heel erg zwaar en een paar keer lijk ik het niet te gaan halen, maar vier uur later zijn dan toch terug in het kamp.

We nemen gelijk een verfrissende duik in de rivier. Roy maakt ondertussen een hapje en een drankje voor ons. De rest van de middag liggen we uitgeteld in een hangmat in de schaduw. Na het avondeten zitten we weer gezellig met z’n vieren te kletsen bij het accu-lampje. Paul blijkt dan zelfs een flesje rum voor ons meegenomen te hebben. Dit primitieve leventje bevalt ons prima en dit is de perfecte plek om even helemaal te ontstressen.

Dinsdagochtend gaan we vroeg de visnetten binnenhalen. De vissen blijken echter nog te leven en de meesten worden met een stok doodgeslagen. De anderen worden levend in de boot gelegd en zij happen wanhopig naar lucht. De catfish (meerval) maakt daar ook nog eens allerlei geluiden bij, het lijkt een beetje op het geluid van een ouderwetse claxon. Patrick gaat de tijgervissen aan zijn honden geven en zelf eet hij de meerval op. De overige vissen gaan in de diepvrieskist en deze zullen in Paramaribo verkocht worden. 

Ik verwijder nog snel een zesde teek en dan moeten we ons kamp afbreken. We stappen weer op de boot en de vaarwind voelt heerlijk. Tijdens een plaspauze glijdt Sander van een grote rots af en gaat dan kopje onder. Iedereen moet natuurlijk lachen, maar hij heeft wel mooi wat verkoeling gehad. Begin van de avond begint het helaas weer te stormen. We kruipen onder het zeiltje en kijken naar de bliksemschichten aan de horizon. Het is natuurlijk niet echt veilig om nu midden op het water te zijn. Paul navigeert in het donker gelukkig ook moeiteloos langs alle rotsblokken heen.

Laat in de avond meren we bij een aardige vrouw aan. Ze heeft zelfs een slaapkamer voor ons gereed gemaakt, maar we blijven toch liever nog een nachtje buiten slapen. Deze huizen zijn op palen gebouwd, waardoor er onder de woning een soort veranda (onderhuis) ontstaat; een prima plek om ons te installeren. We maken wel dankbaar gebruik van de badkamer en ondanks dat er alleen een emmer met water staat, is dit al luxer dan de afgelopen dagen. Ik heb dan ook eindelijk het gevoel dat ik schoon ben. Roy kookt ondertussen eten en daarna is het tijd om te gaan slapen. 

Woensdag 6 september gaan we weer verder en de reis gaat vlot omdat we nu stroomafwaarts gaan. De boot begint echter wel steeds harder te lekken en op verschillende plaatsen spuit het water omhoog. Roy is dus de hele reis bezig om alle gaten en kieren met touw op te vullen. Rond de middag komen we in Nickerie aan, waar de boot achterblijft. Het is gigantisch warm en inmiddels waren we gewend aan het verkoelende briesje aan boord. We moeten hier eigenlijk wachten tot de boot is leeggehaald, maar ik word duizelig van de warmte en Roy brengt ons dan snel naar zijn huis toe.

In het onderhuis treffen we zijn vrouw Mila en zijn moeder aan. De oude vrouw pakt direct een paar nieuwe teenslippers en brengt ons naar de badkamer. Het is heerlijk om het zweet, onder stromend water, van je lichaam te kunnen spoelen. Ik moet helaas mijn vieze kleding weer aan, aangezien we de koffer niet bij ons hebben. Zijn moeder is inmiddels aan het koken, terwijl Mila een fles met ijskoude cola op tafel zet. Het bordje eten is heerlijk, maar ze verontschuldigen zich dat er geen vlees bij de maaltijd zit. 

Beide vrouwen zijn heel erg lief en hartelijk. We zitten zo gezellig te kletsen dat het lijkt alsof we elkaar al jaren kennen. Het is wel duidelijk dat deze mensen niet veel geld hebben, waarschijnlijk was er daarom geen vlees bij de maaltijd? We voelen ons hierdoor wel een beetje schuldig. Een paar uur later komt Roy thuis, met een vis. Paul heeft deze gegeven, maar aangezien de vis niet helemaal goed meer is, moet Mila ‘m direct schoonmaken en pekelen.

Roy laat ons vol trots zijn tuin zien en we moeten alle vruchten proeven: sterappel, komkommer, Surinaamse kers, bakoven en witte zoete vruchtjes met pit. Roy rijdt dan ineens op zijn brommer weg en komt even later terug met een flesje orgeade-siroop. Tijdens de trip heb ik verteld dit lekker te vinden en nu heeft hij dus een flesje gehaald. Ik mag er niet voor betalen. De kinderen, een jongetje en een meisje, zijn inmiddels ook thuisgekomen. We denken dat er iets met het jongetje is, maar dat durven we uiteraard niet te vragen.

Dan moeten we afscheidt nemen van deze warme mensen, die inmiddels als familie voelen. Roy zegt dat we de volgende keer geen hotel hoeven te nemen, maar bij hem mogen verblijven. Hij belooft ook dat hij mijn pom komt proeven als hij ooit in Nederland is. We maken nog snel een groepsfoto en dan probeer ik Roy 500SRD (dertig euro) te geven, maar hij weigert. Als we echter voorstellen om er een nieuwe hangmat voor zijn moeder van te kopen, pakt hij het geld uiteindelijk toch aan. Het is fijn om te weten dat ze die kapotte hangmat nu kunnen gaan vervangen.

Gelukkig hoeven we niet met de bus terug naar Paramaribo, maar we mogen met Paul meerijden. Hij pikt onderweg nog wel een vriendin op en mijn mond valt dan open van verbazing. Het contrast tussen ons had ook niet groter kunnen zijn. Ik lijk inmiddels op een onverzorgde zwerfster, terwijl zij vers van de wallen geplukt lijkt te zijn. Het is wel een aardige meid en ze heeft een vlotte babbel. Ze biedt ons ook direct een slaapplek aan, maar we gaan liever terug. 

Paul vraagt onderweg of ik me nog kan herinneren dat hij zo aan het pushen was om te gaan badderen. Er bleek toen dus een vogelspin boven mijn tent te zitten. Terwijl ik in de rivier stond, heeft hij ‘m stiekem met een stok de bosjes ingeslagen. Het is maar goed dat ik het niet wist, want dan had ik geen oog meer dichtgedaan. In Paramaribo worden bij een restaurantje afgezet en hier nemen we afscheidt van Paul en zijn vriendin. Het was heel bijzonder!

Donderdag 7 september gaan we een dagje bij het zwembad liggen. Het is echter heel erg warm en hierdoor krijg ik ook hoofdpijn. Ik besluit dan om met een paar pijnstillers in de koele hotelkamer te gaan liggen. In de avond gaat het gelukkig weer beter en we laten ons met een taxi naar Het Vat brengen. Volgens de vriendin van Paul is dit ’the place to be’, maar ik zie vooral blanke mensen. We lopen eigenwijs naar de Waterkant en genieten hier van de oude soulmuziek die uit een grote box galmt, een glaasje rum-cola, een portie cassave met bakkeljauw en een nasi met saté. 

Op de terugweg lopen we weer langs Het Vat en dan speelt daar een reggaeband. De zanger is niet geweldig, maar we kunnen wel even lekker dansen. Het tentje heet La Caff en het is grappig om te zien hoe de jonge studentes hier proberen om mannelijke aandacht te krijgen. Die nacht word ik beroerd wakker. Ik ben niet alleen aan de diarree, maar ik moet tegelijkertijd ook overgeven. Sander is gelukkig ook wakker geworden en hij ruimt het lief achter me op.

Vrijdag 8 september worden we door Keith opgehaald voor een excursie naar natuurpark Brownsberg. In de bus zitten twee stelletjes op ons te wachten. De vrouwen (Ymke en Judith) zijn in Suriname geboren en ze zijn nu samen met hun partner terug. Het zijn hele aardige mensen en de mannen maken heerlijke droge opmerkingen. Later stappen er ook nog twee mannen uit Friesland in, maar met hen hebben we helaas geen klik. Daarnaast lijkt het wel alsof onze gids er ook helemaal geen zin in heeft.

In Brownsberg brengt Keith ons naar het gebouw waar we zullen overnachten. Er staat een avondwandeling naar de Irene-waterval op het programma, maar na twee uur wachten is Keith nog steeds nergens te bekennen. Ik besluit hem te gaan zoeken en ik vind hem aan de bar waar hij een drankje zit te drinken. Hij lijkt het gezellig te hebben, terwijl wij door hem aan ons lot worden overgelaten. De avondwandeling gaat volgens hem niet door en dus vertel ik het ‘goede nieuws’ dan maar aan de groep.

Wij besluiten om de wandeling dan maar zelf te gaan maken. Eric wil graag met ons meelopen, terwijl de rest van de groep inmiddels geen zin meer heeft. Het zou volgens Keith een zware wandeling zijn, waarbij je eerst een uur moet afdalen en daarna tweeënhalf uur omhoog moet klimmen. Het afdalen is inderdaad al best zwaar, maar na een tijdje staan we dan toch bij de waterval. We houden hier een korte pauze, om vervolgens aan de klim te beginnen. 

De terugweg is erg zwaar en door de grote stappen die je moet zetten beginnen je benen te verzuren. Eric zegt telkens dat hij mij heel krachtig vindt en dat zijn dochters dit niet zouden kunnen. Door zijn peptalk heb ik telkens weer net voldoende moed om nog een paar stappen te zetten. Dan zijn we ineens terug bij het beginpunt en we snappen er niets meer van. We zijn slechts anderhalf uur verder en ook de groep is verbaasd om ons nu alweer te zien. We worden echter wel als helden onthaalt en we krijgen ook direct een koude Djogo om samen te delen. Een Djogo is een literfles Parbo bier en deze grote fles wordt vaak met anderen gedeeld. 

We nemen dan snel een douche, aangezien we nat zijn van het zweten. Dan gaan we naar het restaurant voor het avondeten, maar dit laat flink op zich wachten. We vallen inmiddels bijna om van de honger, maar om 21:00 uur krijgen we dan eindelijk een klein kopje soep met witte rijst. De mannen hebben hier zeker niet genoeg aan. Terwijl zij netjes overleggen zijn over het laatste beetje soep, schept Keith het brutaal op zijn bord! Hij heeft het bij mij nu officieel verpest, want vanmorgen deed hij hetzelfde met de pasteitjes. We besluiten om met de hele groep koffie bij het huisje te drinken. 

We zitten gezellig te kletsen, als ik gekriebel op mijn wang voel. Ik ga dus snel even naar binnen om me goed in te spuiten. Toch voel ik dan weer gekriebel en ik zie ineens een groot beest op mijn been zitten. Ik spring van mijn stoel, begin te gillen en kriskras rondjes te rennen. Sander, Hans en Eric proberen het beest ondertussen van mijn been te meppen, maar ik blijf telkens net niet lang genoeg staan. Dan besluit Sander om eerst mij te vangen, waarna hij de griezel vakkundig verwijdert. Het blijkt een wandelende tak van vijfentwintig centimeter te zijn. Dat is natuurlijk wel groot, maar niet iets om nou zo panisch van te worden…

Zaterdag 9 september staat iedereen vroeg naast het bed. We gaan naar het uitzichtpunt om de zon over het Brokopondo-stuwmeer op te zien komen. Aan de rand van het bos zitten brulapen en zij maken een enorme herrie. Als we bij het huisje terugkomen blijkt Keith een uitgebreid ontbijt voor ons te hebben klaargezet. We eten gezellig met z’n allen en verderop slingeren de apen door de bomen. Een uurtje later vertrekt de groep naar de Leo-waterval, maar aangezien deze halverwege de Irene-waterval is gaan wij niet mee. 

Sander en ik willen naar de Mazoroni-waterval. Eerst lopen we over een vlakke weg, waarna we steil naar beneden gaan. De steekvliegen zijn vreselijk en met een handdoekje proberen we ze van ons af te houden. Ik zit tijdens het strikken van mijn veters op een steen, als er ineens een reusachtige cavia uit de bosjes stapt. We hebben geen idee wat het is, maar het lijkt ongevaarlijk te zijn. (edit: het blijkt een Capibara te zijn.) We besluiten terug te gaan en gelukkig krijgen we een lift van een voorbijrijdende Jeep.

Hierdoor komen we net op tijd voor de lunch aan. Hierna is het alweer tijd om te vertrekken. We rijden over de hobbelige en stoffige bauxietweg terug naar Paramaribo. De rest van de groep legt nog wel geld bij elkaar voor Keith, maar ik ga een gids niet belonen voor zijn afwezigheid. Drie uur later zijn we weer terug in ons hotel en alle rode kleding kan dan direct de vuilnisbak in. 

Zondag willen we lekker bij het zwembad gaan liggen, maar er blijkt een kinderfeestje te zijn. Dit is het derde feestje in een week tijd en je hoort de overige gasten inmiddels ook klagen. We besluiten om dan maar naar Joosje te gaan, die de lekkerste roti’s van Suriname zou verkopen. Het blijkt echter een heel eind lopen te zijn en bij aankomst is de zaak ook nog eens gesloten. Dan proberen we om naar Chi Min te gaan, waar je heerlijk krab kunt eten, maar dit restaurant kunnen we helaas niet vinden. 

Mijn voeten zijn inmiddels kapot en dus duiken we een ander restaurant in. Gelukkig blijken de roti’s hier ook lekker te zijn. Bij de Waterkant raken we aan de praat met twee jongens en we bestellen om de beurt een Djogo. Het is best gezellig, maar na een tijdje merk ik dat ik genoeg gedronken heb. Loeti uit Amsterdam begint inmiddels ook aardig loslippig te worden. Hij vertelt over zijn illegale zaakjes en hij denkt op een gegeven moment dat ik een undercover-agent ben. Het is dan de hoogste tijd om te gaan.

Loeti staat er echter op dat zijn neef ons naar het hotel brengt. Het is inmiddels nacht en ik weet dus niet of dit wel verstandig is. Hij belt zijn neef en dan komt Ricardo aanrijden. Hij lijkt zo uit een hiphopvideo te zijn gestapt en hij rijdt in een dure auto met drie televisieschermen. Dit lijkt geen zuivere koffie, maar we willen ook niet onbeleefd zijn of ruzie veroorzaken. Daar zitten we dan, midden in de nacht in een auto met drie vreemde kerels! 

We rijden een beetje rond en de omgeving begint steeds donkerder en afgelegener te worden. Ik heb inmiddels geen flauw idee waar we zijn. Dit voelt helemaal niet goed. Ik geef boos aan dat ze nu direct naar het hotel moeten rijden omdat we anders zullen uitstappen. Dat is natuurlijk bluf, want eigenlijk ben ik heel ongerust aan het worden. Ricardo zegt niet te weten waar ons hotel is, maar een paar minuten later staan we dan toch ineens voor de deur. We geven hem tien euro en stappen dan snel de auto uit. 

Maandag 11 september gaan we eerst onze huurauto bij het verhuurbedrijf ophalen. Ze proberen ons dan een handgeschakelde pick-up, zonder vierwielaandrijving mee te geven. De auto die we eigenlijk gehuurd hebben blijkt er dus helemaal niet te zijn. We gaan dan naar Avis toe en gelukkig is hier net een Hyundai Tucson 4WD ingeleverd. Het is fijn dat we nu ook iets hoger zitten, aangezien er in Suriname ook links gereden wordt.

We halen gelijk onze zwemspullen op en rijden dan naar Colakreek. Dit is een zwartwaterrivier en de bladeren op de bodem geven het water de bruine colakleur. Die drassige bladeren voelen overigens wel een beetje vies tussen je tenen. De bovenkant van het water voelt lekker warm, maar dieper staat een koudere stroming. Het is echt een hele leuke plek en er hangt een gezellig sfeertje. We lezen rustig een boekje en genieten van het zonnetje en de verkoeling van het water.

Het begint onderweg hard te regenen en we zien dan bijna niets meer door de voorruit. Hierdoor staat onze hotelkamer echter ook blank. De vloer en het matras zijn nat, maar alle kleding is gelukkig droog gebleven. Het personeel en de overige hotelgasten komen eerst allemaal een kijkje nemen, maar uiteindelijk krijgen we dan toch een andere kamer aan de overkant van het complex. Het is even sjouwen, maar nu hebben we wel een megagroot bed en een douchekop met massagestralen.

Dinsdagochtend zijn we eigenlijk al klaar voor vertrek, maar dan zegt Sander ineens dat ik hem toch niet in het water durf te duwen. Ik weet niet precies waarom hij dit zegt, maar hiermee verzoekt hij natuurlijk wel de Goden. Een paar minuten later verdwijnt hij dan ook onder water. De overige hotelgasten moeten erg lachen, maar vanaf nu moet ik uiteraard wel extra alert zijn! Als hij zich dan heeft omgekleed zijn we wederom klaar om op pad te gaan.

In het centrum kopen we bij Jeruzalem Bazaar twee hangmatten en bij een platenzaak een cd met hele oude soulmuziek. Dan gaan we naar een broodjeszaak toe. Er staat hier een jongen die mij probeert te versieren, maar hij fluistert zo zacht dat ik hem in eerste instantie niet eens kan verstaan. Dan vraagt hij of ik een vriend heb en zodra ik dit bevestig weigert hij om nog langer met me te praten. Mannen zijn hier inderdaad minder brutaal, maar dit is toch wel erg extreem.

Onderweg genieten we van de heerlijke broodjes met bakkeljauw, pom en varkensvlees. We willen eigenlijk naar Blakawatra gaan, maar bij Caroline stopt de weg en hier moeten we met een boot de Suriname-rivier oversteken. We staan hierdoor een tijdje stil op de bauxietweg, als er ineens een grote zwarte kat oversteekt. We zijn helemaal verbaast en we vergeten zelfs om een foto te maken. Dit moet een zwarte jaguar zijn! Het is erg bijzonder om er überhaupt eentje te zien, want normaal houden ze zich schuil in het woud. 

Als we verder rijden zien we een bord waar ‘zwemplaats’ op staat. Het blijkt een klein kreekje te zijn, waar lokale bewoners aan het zwemmen zijn. Het water in deze kreek is net zo bruin als bij Colakreek, maar de omgeving is hier veel natuurlijker. We rijden dan terug richting Paramaribo. Na een korte politiecontrole zijn we voor het gaat schemeren terug in het hotel. We nemen hier eerst een douche en dan laten we ons door een taxi bij Chi Min afzetten.

Het restaurant ziet er, voor Surinaamse begrippen, erg netjes uit en ook de prijzen liggen iets hoger. Voor 14,00 euro bestellen we een grote schaal met krab. Het is erg lekker, maar helaas zijn de krakers kapot. We moeten dus met een kinderschaartje prutsen en dat werkt zo belabberd dat Sander een klodder zwarte-bonensaus in zijn oog krijgt. Uiteindelijk weten we ons dan toch door de grote schaal heen te werken. We sluiten deze gezellige avond uiteraard af met een glaasje rum-cola aan de Waterkant. 

Woensdag 13 september worden we door de eigenaresse uitgenodigd voor het diner. Ze vindt het toch wel vervelend dat we overlast hebben gehad door alle feestjes en ze wil het op deze manier goedmaken. We beloven er te zijn, maar we gaan eerst richting White Beach. Ze hebben hier een wit zandstrand aangelegd en een net in het water moet eventuele piranha’s buitenhouden. Het ziet er leuk uit, maar het is wel erg commercieel.

Hierna rijden we naar Overbridge toe. Op een bord staat dat we ons eerst bij de beheerder moeten melden, maar we kunnen hem niet vinden. Hier is dus ook een stukje zwemwater afgezet, maar dit ziet er wel veel natuurlijker uit. Er staan een paar hutjes en door de bomen is er veel schaduw. We hangen onze nieuwe hangmatten neer, maar al gauw verschijnen er donkere wolken in de lucht. We zijn net op tijd bij de auto en dan begint het heel hard te regenen.

We besluiten om weer naar Joosje te gaan om toch zijn roti te proeven. Daarnaast kopen we bloemen voor de eigenaresse van het hotel. Op televisie zien we dan ineens dat er vandaag op White Beach een veertigjarige vrouw is verdronken. Haar levenloze lichaam ligt op precies dezelfde plek als waar wij vanmiddag gezeten hebben. We kunnen er gelukkig niet te lang bij stilstaan, want het is tijd om naar het diner te gaan. De Indische rijsttafel smaakt goed en alle hotelgasten zijn vanavond gezellig aanwezig.

Hierna gaan we naar de Waterkant en rond middernacht lopen we weer terug naar het hotel. Het is inmiddels afgekoeld en daardoor is het een heerlijke wandeling. We komen soms wel door wijken die een achterbuurt lijken, maar we proberen dit zoveel mogelijk te beperken. Dan komen we een man tegen die zegt ons te kennen van de Waterkant. Hij zou daar als bewaker werken, maar na een tijdje wordt zijn verhaal steeds vreemder. Zo vertelt hij dat dit het jaar van de hond is en dat we elkaar dus niet moeten afblaffen, maar juist met elkaar moeten vrijen om kinderen te verwekken.

Mijn verbazing bereikt echter een hoogtepunt als hij een brief aan Osama Binladen laat zien. In deze brief noemt hij zichzelf ‘de koning van het woud’ en ook heeft hij zijn bankrekeningnummer vermeld. Ik vraag hem beleefd hoe hij de brief op de juiste plek krijgt. Hij legt dan uit dat Osama in Guyana woont, maar ook regelmatig een drankje aan de Waterkant drinkt. Ik moet dan echt mijn best doen om mijn gezicht in de plooi te houden. Na ongeveer twintig minuten weet ik het gesprek dan toch te beëindigen. Gierend van het lachen lopen we verder, onze avond kan niet meer stuk!

Morgen moeten we de auto inleveren en dan is het helaas weer tijd om terug naar Nederland te gaan. Dit land heeft mijn hart gestolen en ik beloof mezelf dan ook dat ik hier ooit terug zal komen…