Suriname 2006

Suriname 2006

Dinsdag 29 augustus vliegen Sander en ik naar Suriname. Ik voel me in dat krappe vliegtuig altijd net een CLAUStrofobisch ingeblikt sardientje. Het is wel fijn om dan even naar mijn mp3-speler te luisteren, op deze manier kan ik me dan toch even afsluiten van mijn mede-sardientjes. Acht uur later arriveren we op de luchthaven van Suriname en er hangt een vochtige warmte.

We worden rond 20:00 uur dan eindelijk bij ons hotel afgezet en inmiddels heb ik een dikke koortslip gekweekt. Op de hotelkamer ligt een envelop met hierin alle informatie over onze excursies. De excursies zijn flink omgegooid, maar we weten niet waarom. De hotelkamer is verder okay, maar het schoteltje rattengif in de kledingkast is wel iets minder. Op het aanrecht vinden we ook kleine keuteltjes.

Woensdag 30 augustus ga ik in mijn eentje de omgeving verkennen. Het is een klein hotelletje met ongeveer zestien kamers, er zijn er overigens maar drie bezet. Er is een klein zwembad, een restaurantje en een verwaarloost basketbalveld. Inmiddels is ook Sander wakker geworden en we gaan samen naar het ontbijt. Dit stelt echter zo weinig voor dat we er in eerste instantie gewoon aan voorbij lopen.

Het personeel is erg persoonlijk en vriendelijk. De eigenaresse is een oudere vrouw, dan heb je Derrick en hij is de manager. Verder zijn er nog twee meisjes voor de schoonmaak en receptiewerk. Ze vertellen ons ook gelijk dat de gifkorrels voor een hagedis zijn, die achter onze airco woont. Gelukkig zijn het geen muizen, een klein hagedisje vinden we wel gezellig.

We willen graag naar het centrum lopen, maar Derrick verklaart ons voor gek. Uiteraard zijn wij eigenwijs en dus tekent hij een plattegrond zodat we niet kunnen verdwalen. Er zijn geen voetpaden aanwezig en waar Jamaicanen ongerust naar je toeteren en met een boog om je heen rijden, lijken de Surinamers je juist uit je schoenen te willen rijden. Ik blijf stoer lopen, maar ik moet soms toch een lichaamsdeel intrekken om niet geraakt te worden.

Het is inderdaad een behoorlijk stuk lopen en het is erg warm. In het centrum nemen we een koud glas drinken en een gebakje. Hierna lopen we langs de toeristische trekpleisters, zoals de Palmentuin en Fort Zeelandia. Tijdens de lunch eten we het allerlekkerste broodje bakkeljauw ooit. Het valt qua winkels wel een beetje tegen, deze liggen ver uit elkaar en het zijn voornamelijk juwelierszaken. Inmiddels heb ik natuurlijk weer flinke blaren op mijn voeten en wandelen wordt dan ook steeds moeilijker.

Een goede vriend van ons (Kenneth Bron) heeft op dit moment een nummer één hit in Suriname met zijn liedje A Sama De. We zien hem hierdoor regelmatig op de Surinaamse televisie en dat is heel erg grappig. We zijn natuurlijk heel trots en het lijkt ons dan ook leuk om zijn cd als souvenir te kopen. Tot onze verbazing verkopen ze echter in alle platenzaken illegale kopieën.

Als we langs de Waterkant lopen horen we ineens reggae muziek. We besluiten lekker te gaan zitten en gelijk wat eten te bestellen. Het is een gezellige plek, waar vooral Creolen aanwezig zijn. De lokale bevolking komt hier om te eten, te drinken en te socializen. We raken al snel met een paar jongens in gesprek en spelen samen een potje tafelvoetbal. De eigenaar van het eettentje maakt ondertussen Heri Heri voor ons.

Niet veel later staat er een grote portie cassave, banaan en zoete aardappel met zoute vis op tafel. Het is heerlijk, maar de porties zijn erg groot. De eigenaar pakt de rest voor ons en dat mogen we meenemen. Aangezien mijn blaren inmiddels bloedende wonden zijn, nemen we een taxi terug. In het hotel blijkt een verjaardagsfeestje aan de gang te zijn. De muziek staat werkelijk oorverdovend hard, maar we zijn zo moe dat we er finaal door heen slapen.

Donderdagochtend 31 augustus ga ik eerst op zoek naar een wasmachine. Helaas blijkt de sleutel van het washok verdwenen te zijn. Het meisje bij de receptie doet erg haar best en na een paar telefoontjes kan ik dan toch snel even wassen. Als dank deel ik mijn chocoladereep en ook in Suriname blijken vrouwen hier dol op te zijn. Als de was droog is laten we de grote koffer in het hotel achter. Met een kleinere koffer gaan we zes dagen op excursie naar de Wonotobo waterval.

Om in Nieuw Nickerie te komen moeten we eerst met een taxi naar het busstation gebracht worden. Dit blijkt een pleintje te zijn waar een grote boom staat, in de volksmond noemen ze het dan ook ‘onder de boom’. Er staan al veel mensen te wachten, maar onze bus komt niet. Na een uur wachten wordt ineens een andere (veel kleinere) bus omgedoopt tot de bus naar Nieuw Nickerie.

De prijzen zijn ineens ook verhoogd en we twijfelen of we dit wel moeten doen. Als we uiteindelijk toch instappen blijken we de laatste twee stoelen te hebben. Normaal ben je dan heel erg blij, maar hier blijken het de slechtste plekken te zijn. In het gangpad worden twee stoeltjes uitgeklapt, waarbij Sander met zijn knieën in zijn nek zit en ik totaal geen steun heb omdat de rugleuning kapot is.

De reis duurt vier uur, maar in deze benarde positie lijkt het veel langer te duren. De rijkunsten van de chauffeur zijn ook nog eens belabberd. Het lijkt wel alsof hij dronken is en hij slingert regelmatig over de weg. Als hij in volle vaart de berm inrijdt krijgt hij zelfs van zijn landgenoten kritiek. Het landschap is wel erg mooi en de wegen zijn goed.

Op het station bij Nickerie worden we direct besprongen door een groep taxichauffeurs. Ik word er behoorlijk zenuwachtig van en we besluiten om eerst van deze hysterische plek weg te lopen. Om de hoek kijken we rustig waar we zijn en waar we naartoe moeten. Tot onze verbazing zien we dan dat hotel Residence Inn aan de overkant van de straat is. We hebben dus helemaal geen taxi nodig.

Het is rustig in Nickerie, er is niet zoveel te beleven en de meeste mensen lijken hier juist van Hindoestaanse afkomst te zijn. We vinden vervolgens een Chinees restaurant om een hapje te eten, maar er is geen personeel aanwezig. Gelukkig zit er een behulpzame jongen die iemand voor ons roept. Hierna helpt hij ook nog even met de bestelling want de ‘nieuwe’ Chinezen spreken blijkbaar geen Nederlands.

Het eten is erg lekker, maar we worden een beetje afgeleid door de behulpzame jongen. Hij schenkt namelijk grote glazen Jonge Jenever in en drinkt het, zonder een spier te vertrekken, in een paar slokken weg. Blijkbaar ziet de jongen ons kijken en vraagt dan of wij misschien ook wat water bij het eten willen. Tja, je verwacht natuurlijk niet dat er water uit een Jenever fles komt!

De jongen vraag na het eten of we weleens bakoven gegeten hebben, dat blijken bananen te zijn. Hij werkt bij een fabriek en legt een hele tros op onze tafel. Volgens hem is het goed voor de spijsvertering om na de maaltijd bananen te eten. De porties zijn hier echter zo groot dat je er niet ook nog even een tros bananen achteraan gooit. We nemen allebei dus netjes een banaantje en geven de tros weer terug.

Het valt ons op dat de Surinaamse bevolking heel erg aardig is, zonder dat ze er geld voor willen. Verder is het hier ook een stukje goedkoper dan thuis; je hebt een grote maaltijd voor vijf euro, twee rum-cola voor tweeënhalve euro en voor een liter bier betaal je drie euro. De rest van de avond zitten we op het terras van het hotel. Dan staat er plotseling een vreemde man voor ons.

Het blijkt onze gids (Paul) te zijn. Hij vertelt dat wij de enige toeristen zijn omdat de data verschoven zijn, een privé tour is natuurlijk altijd fijn. Het is een rustige en aardige man en hij vertelt dat er ook nog een kok met ons gaat, zijn naam is Roy. Verder vraagt hij nog wat dingetjes om ons beter te leren kennen; of we bijvoorbeeld ergens bang voor zijn, wat we niet lusten en wat wij in de avond lekker vinden om te drinken.

Vrijdag 1 september vertrekken we aan het einde van de ochtend met een oud houten bootje. De boot staat vol bagage en een vrieskist. Roy zit ergens tussen de bagage gepropt en Paul bestuurt de motor. Wij zitten op het voorste bankje en hebben een dun kussentje onder onze kont. Het varen duurt langer dan verwacht en de hele tijd stil zitten valt toch een beetje tegen. Het kussentje lijkt ook met de minuut dunner te worden. Verder lekt de boot aan alle kanten, dit wordt verholpen door touw in de kieren te proppen.

Na twee uur in de volle zon te hebben gezeten zijn we aardig verpietert. Gelukkig spannen de heren dan een plastic zeil over de boot heen en dat scheelt een hoop. De Corantijn rivier is prachtig. We varen langs de regenwouden van Suriname en Brits Guyana en deze worden ook in het water nog eens weerspiegeld. Soms varen we ook langs een klein dorpje en we zien zelfs een overwoekerde Nederlandse trein staan. Er liggen grote keien in de rivier en je kunt merken dat Paul het hier op zijn duimpje kent.

Na zes uur varen zijn we er nog steeds niet, maar dan blijkt dat we het verkeerd begrepen hebben. Het duurt namelijk twee dagen voordat we bij de Wonotobo waterval aankomen. Begin van de avond begint het hard te waaien en hoge golven bonken tegen de oude boot. Ze slaan ook over de rand en Roy probeert om met een plastic deksel tegen het water te vechten. Als hij dan ook nog roept ‘Ik heb gewoon whipers op mijn bril nodig!’ komen we niet meer bij van het lachen. We hebben het koud en kruipen samen onder een zeiltje.

Rond 20:00 uur komen we dan eindelijk op onze bestemming aan. We gaan op een klein eilandje in de rivier overnachten. Roy gaat direct koken en Paul begint een tentje en een paar hangmatten te installeren. Het tentje blijkt voor mij te zijn en de drie heren zullen in een hangmat slapen. We hebben inmiddels ook een lampje doordat Paul deze op een accu heeft aangesloten. Het moet niet luxer worden want via de accu kunnen we zelfs de batterij van ons fototoestel even opladen. Ik sla het voorstel om in het donker in de rivier te badderen wel even af.

Na het eten gaan we slapen en Paul waarschuwt ons dat we niet moeten schrikken als we vreemde geluiden horen in de ochtend. Ik kom er al snel achter dat ik mijn tent met een stel muggen deel en ik ga op zoek in de bakken die buiten staan. Daar vind ik inderdaad een spuitbus en enthousiast spuit ik dit door mijn tent heen. Uiteraard sluit ik de rits direct weer, terwijl ik eerst nog even achter een struikje ga plassen. Terug in de tent zijn de muggen verdwenen, maar door het gif doet ademhalen pijn.

Zaterdagochtend 2 september ben ik vroeg wakker door enge geluiden uit het bos. Dit zijn vast de brulapen waar Paul ons voor gewaarschuwd heeft. Het klinkt alsof je in een scene van een goedkope horrorfilm zit. Daarnaast heb ik een gigantische jeuk en er blijken negentien muggenbulten op mijn kont te zitten. Als ik mijn hoofd echter uit de tent steek ben ik sprakeloos. Het kleine eilandje is werkelijk prachtig en ik kan me niet herinneren dat ik ooit op een mooiere plek ben wakker geworden. Ik kijk dus rustig om me heen en luister naar de bizarre geluiden van de brulapen.

Als iedereen wakker is plons ik in het verfrissende water van de rivier. Dan staat er een kopje thee en drie boterhammen voor ons klaar. Ik heb echt zin om vandaag weer verder te varen. Het viel gisteren tegen om negen uur op de boot te zitten omdat we dachten dat het maar een paar uurtjes varen zou zijn. Vandaag is mijn mindset echter beter en ik kan dus niet wachten tot we vertrekken.

Het enige nadeel is dat ik werkelijk ieder kwartier moet plassen; wat ik dan gelukkig nog wel een uurtje weet uit te stellen. Toch moeten we regelmatig stoppen zodat ik ergens een plekje kan zoeken. De ene keer kan het aan de oevers, maar soms kunnen we ook nergens stoppen. Dan spring ik vanaf de boot op een rotsblok en dan zit ik dus midden op de rivier (op een gigantische kei) pontificaal te plassen. De heren kijken dan braaf de andere kant op, maar eerlijk gezegd ben ik de schaamte inmiddels al wel voorbij.

Als ik weer moet plassen stopt Paul aan Guyanese zijde, waar ik bij een meneer naar het toilet mag. Als ik echter van boord stap, zakken mijn voeten weg in de modder. De man begint behulpzaam aan mijn arm te trekken, maar ik kan geen kant op en val hierdoor bijna met mijn snoet in de modder. Gelukkig zijn de veters niet gestrikt en ik kan dus nog uit mijn schoenen stappen. Op de slippers van Paul loop ik met de man mee naar huis. Ondertussen worden mijn schoenen uit de modder bevrijdt en netjes schoongemaakt.

We lunchen op een strandje en dan hoor ik achter ons allerlei geluiden. Als ik het bos in loop zie ik ineens allemaal aapjes in de boom. Ze zijn nieuwsgierig naar mij aan het kijken en ik durf me niet te bewegen omdat ik bang ben dat ik ze laat schrikken. Op dat moment voel ik echt een geluks-momentje en de tranen schieten in mijn ogen. Wat is het hier toch bijzonder en mooi.

Eind van de middag zijn we dan eindelijk op onze bestemming. We mogen zelf kiezen waar we willen overnachten. We kunnen aan de Surinaamse kant overnachten, maar hier zal morgen een groep toeristen arriveren. De tweede optie is aan de Guyanese kant, bij Patrick en zijn honden. We kiezen voor de tweede locatie omdat we hier op een waterval uitkijken en er verder geen andere mensen zijn.

Patrick woont hier al tien jaar in z’n uppie. Hij let op de vakantiehuisjes die zijn baas er ooit heeft neergezet. Deze man kon echter meer geld verdienen met het kappen van bomen en hierdoor is de accommodatie inmiddels flink verwaarloost. Wij slapen hier dan ook niet, maar gebruiken alleen een overkapping om de tent onder te zetten en de hangmatten aan op te hangen. Patrick is een aardige vent en hij spreekt op een manier die ons aan Jamaica doet denken.

Roy begint aan het eten en wij besluiten om even naar de grote waterval te lopen. Als we terugkomen blijft Paul heel erg pushen dat ik moet gaan badderen. Ik ga braaf de rivier in, maar het is de vraag of je hier wel echt schoon wordt. Mensen badderen en wassen hun kleding in de rivier, maar ze gebruiken het ook als theewater. Daarnaast doen ze er de afwas in en ook de etensresten worden erin gegooid. Op sommige plekken heb ik zelfs batterijen in het water zien liggen.

Paul vindt het overigens niet fijn als Roy etensresten in het water gooit, aangezien dit piranha’s lokt. Ik schrik en ik weet niet of ik nu het water nog wel in durf te gaan. Paul verzekert ons echter dat dit Pirings zijn en dat deze minder agressief zijn dan hun soortgenoten. Roy vertelt echter dat ze wel bijten en hij kent ook mensen die een stukje uit hun voet missen.

Zondag 3 september gaan we samen met Paul naar de Wonotobo waterval. Het is een grote en krachtige waterval en het is mooi om al dit natuurgeweld te zien. Bij een kleinere waterval gaan we zwemmen, hier wassen we ook onze haren en krijgen een rugmassage toe. Onderweg plukken we olijven, een kokosnoot, bananen en we eten een stukje rietsuiker. Ik word ondertussen telkens in mijn tenen en vingers geprikt en zie dan ineens een klein plat zwart spinnetje op mijn hand.

Als ik het beestje aan Paul laat zien vertelt hij dat dit een teek is. In de hangmat zie ik dat er op mijn armen en benen meer teken zitten, ze zijn alleen minuscuul klein. We trekken ze eruit en hakken ze daarna met een nagel doormidden. Sommige zitten zo vast dat ik er misselijk van word en in mijn kuit blijft zelfs een pootje achter. Mijn hele lichaam zit inmiddels onder de bulten en wondjes van muggen, zandvliegjes, mieren en teken.

Dan laat Patrick zijn hond aan ons zien, hij is twee weken geleden in het oerwoud aangevallen door een wild zwijn. Hij heeft een smerige wond in zijn nek en je kunt de grote tand-afdrukken zien. De wond ziet er nog steeds nat uit en het zit vol met vliegen. Ik heb in de bakken een spuitbus met vloeibaar verband gezien en ik stel voor om dit op de wond te gebruiken. In de rimboe is namelijk geen dierenarts aanwezig.

Patrick houdt zijn hond stevig vast terwijl ik de wond inspuit. Paul en Roy zijn aan het lachen en begrijpen niet helemaal waarom we zoveel moeite voor een hond doen. Dan laat de hond zijn tanden zien, waarschijnlijk prikt het goedje dus. Ik ga snel verder, maar dan zie ik de hond ineens voorbij vliegen. Hij heeft geprobeerd om Patrick te bijten, maar hij gaf de hond daarop een gooi. Helaas komt hij direct weer aanrennen en Patrick geeft hem met een platte hand een klap. Het beestje verdwijnt dan in de bosjes.

Ik ben blij dat hij mij niet heeft aangevallen, want mijn reactievermogen was nooit zo snel geweest. We hebben er natuurlijk ook helemaal niet bij nagedacht dat deze honden waarschijnlijk veel wilder zijn. Patrick is op zijn manier wel goed voor ze, maar dat had deze hond blijkbaar niet in de gaten. De volgende dag loopt de hond weer gewoon op het terrein rond en zijn wond ziet er inmiddels al een stuk beter uit. Patrick is dan ook erg blij met onze poging.

Paul zegt elke avond heel stoer dat hij wel even een vis zal vangen voor het avondeten. Hij vangt echter niets. Dan zeg ik bijdehand dat ik het wel even zal doen en warempel, een paar minuten later zit er een vis aan mijn haak. De mannen doen wel een beetje neerbuigend over mijn vis, aangezien het een piring (piranha) blijkt te zijn. Deze is helaas niet eetbaar, maar ik vind het al stoer dat ik überhaupt iets gevangen heb.

Hij is overigens wel veel groter dan ik verwacht had en heeft een hele rij met scherpe tandjes. Ze kunnen hierdoor ook het haakje niet uit zijn bek halen en dus blijft de vis net zo lang op de kant liggen tot hij dood is. Ik vind het nu nog enger om in de rivier te gaan. Ook de kleine visjes, die altijd aan je knabbelen, lijken steeds agressiever te worden. Ik blijf vanaf nu dus aan de kant, daar zeep ik me in en dan dompel ik me snel een keertje onder.

Ik vertel Roy dat hij vanavond toch echt wat minder lekker moet koken. Sinds ik ben gestopt ben met roken ben ik vijf kilo aangekomen en zijn kookkunsten maken het er niet beter op. Roy vindt het echter onzin, hij zegt dat ik veel te dun ben en nog wel wat extra rondingen kan gebruiken. Een man naar mijn hart! Als ik ’s nachts nog even uit de tent kruip zie ik ineens een prachtige sterrenhemel. Grappig genoeg wordt Sander op hetzelfde moment wakker en we genieten er samen van. Het is echt schitterend.

Maandag 4 september willen Sander en ik graag nog even een wandeling door het oerwoud maken. Paul voelt hier echter niets voor omdat hij bang is voor slangen. We besluiten het aan Patrick te gaan vragen aangezien hij het oerwoud op zijn duimpje kent en hier al jaren woont. Hij is erg enthousiast over onze vraag en hij wilt om 7:00 uur vertrekken.

Een half uur later staat hij al helemaal klaar. Hij draagt rubberen laarzen aan zijn voeten en een geweer op zijn rug. Zijn tempo ligt wel erg hoog en ik moet bijna rennen om hem bij te kunnen houden. Het is hier geweldig mooi; de bomen zijn gigantisch hoog en overal zien we dierensporen in de modder. We komen ook slingerapen tegen en er vliegt zelfs een groep papegaaien over ons heen.

Na twee uur lopen ben ik behoorlijk moe en ik geef dus aan dat we maar beter weer terug kunnen gaan. Patrick is verbaast, hij wilde eigenlijk vier uur heen lopen en dan pas weer terug gaan. We keren op mijn verzoek toch om, maar ik begin al snel steeds verder achterop te raken. Patrick zegt telkens “Sit dung, rest ya feet!’, maar ik loop liever door. Het valt me heel erg zwaar en soms ben ik bang dat ik het niet zal redden. Ik ben dan ook dolgelukkig als we vier uur later weer terug in ons kamp zijn.

Na een frisse duik gaan we lekker liggen luieren in een hangmatje. We krijgen die avond een lekker glaasje rum terwijl we met z’n allen gezellig zitten te babbelen. Het primitieve leventje bevalt prima en de heren zijn leuk gezelschap.

Dinsdag 5 september vertrekken we vroeg met de boot om alle uitgeworpen visnetten binnen te halen. De vissen blijken nog te leven; sommige worden met een stok doodgeslagen en andere vissen blijven levend in de boot liggen. Ik kan er niet zo goed tegen om die vissen voor mijn ogen te zien stikken. De Catfish (meerval) maakt hier ook nog eens allerlei geluiden bij, het lijkt op een claxon van een oude wagen. De vangst blijkt tegen te vallen, maar ik heb nog nooit zulke grote vissen gezien.

Er gaan twee grote tijgervissen mee, die Patrick voor de honden zal koken. Dan een Catfish die hij zelf op gaat eten en een paar andere vissen verdwijnen in de vrieskist. Deze vissen gaat Paul straks in Paramaribo verkopen. Na het ontbijt gaan we even badderen, dan verwijderen we een zesde teek en breken ons kamp af. Onderweg stoppen ze voor mij weer regelmatig. Dan kom ik terug en zie ik ineens dat Sander kletsnat is. Hij blijkt van de rotswand gegleden te zijn en ergens vind ik het wel slim dat hij tijdens mijn plaspauze even een verfrissende duik neemt.

Begin van de avond begint het weer flink te stormen. Het waait hard en de regendruppels voelen als hagelstenen. We kruipen weer onder het zeiltje en zien telkens grote bliksemschichten aan de horizon. Aangezien we midden op het water zitten is dit niet echt heel erg veilig natuurijk. We meren uiteindelijk bij een aardige vrouw aan. We mogen ons hier douchen en de badkamer met een emmer water is al veel luxer dan we de afgelopen dagen gehad hebben. Ze heeft ook een slaapkamer voor ons gereed gemaakt, maar wij kiezen er toch voor om lekker buiten in de tent/hangmat te liggen.

Woensdag 6 september gaat de reis vlot omdat we nu stroomafwaarts varen. De boot begint wel steeds harder te lekken en op verschillende plekken spuit het water inmiddels omhoog. Roy is de hele weg druk met het opvullen van de kieren en gaten. Begin van de middag komen we bij het oude huis van Paul aan, hier blijft de boot achter. Het is gigantisch warm aan land en we missen het verkoelende windje van de boot. Ik sta duizelig te wachten, maar de boot moet eerst leeggemaakt worden.

Roy brengt ons daarom even naar zijn woning toe. In de buitenruimte onder de woning treffen we zijn vrouw en zijn moeder aan. Enthousiast komt zijn moeder met nieuwe slippers op ons afgelopen en wijs ons de badkamer. Het is heerlijk om het zweet af te kunnen spoelen en dan ook nog eens onder een stromende douche. Ondertussen is zijn moeder voor ons aan het koken. Zij verontschuldigt zich omdat ze geen vlees heeft, maar dat er dan een eitje voor ons bij. Mila, de vrouw van Roy, haalt ondertussen een grote fles met koude cola te voorschijn.

Deze vrouwen zijn vreselijk lief en hartelijk tegen ons. Al snel zitten we gezellig met elkaar te kletsen en het voelt alsof we hen al jaren kennen. Inmiddels hebben we al wel in de gaten dat het gezin niet veel geld heeft en misschien konden ze daarom ook geen vlees aanbieden. We voelen ons nu wel een beetje schuldig. Een paar uur later verschijnt Roy bij de woning en hij heeft van Paul een vis gekregen. Deze vis blijkt alleen niet helemaal meer goed te zijn en dus gaat Mila gelijk aan de slag om de vis schoon te maken en te pekelen.

Roy laat ons ondertussen vol trots zijn tuin zien en we moeten ook alle vruchten proeven. Hij heeft sterappel, komkommer, Surinaamse kers, bakoven en heerlijk zoete zachte witte vruchtjes met pit. Daarna verdwijnt hij weer op zijn brommertje en komt even later terug met een flesje Orgeade siroop. Deze heeft hij snel op de markt voor ons gekocht omdat we het hier tijdens de trip over gehad hebben. Inmiddels zijn ook de kinderen thuis gekomen. Ze hebben een zoon en een jongere dochter.

Tijdens het afscheid maken we snel nog even een groepsfoto. Roy zegt dat we in de toekomst altijd welkom bij hem zijn, ook belooft hij dat hij mijn roti komt proeven als hij ooit in Nederland is. Dan is het echt tijd om afscheid van deze lieve mensen te nemen, die inmiddels als familie voelen. Wij geven Roy dan 500SRD (30 euro) als dank, maar hij weigert het geld aan te nemen. Als wij voorstellen dat hij er een nieuwe hangmat voor zijn moeder van koopt, pakt hij het uiteindelijk toch aan.

We mogen met Paul meerijden naar Paramaribo. Onderweg pikt hij nog even een vriendin op en het contrast tussen haar en mij is groot. Ik zie er inmiddels uit als een verwaarloosde zwerfster, terwijl zij net van de Wallen geplukt lijkt te zijn. Het is wel een hele aardige meid en we krijgen direct het aanbod dat we eventueel ook bij haar kunnen overnachten. Paul vertelt onderweg ook nog dat er op de eerste avond een vogelspin op mijn tent zat. Dat was dus de reden waarom hij zo bleef pushen over het badderen. Hij heeft de spin toen stiekem met een stok het gras in geslagen.

Donderdag 7 september hebben we een rustdag aan het zwembad. Het is echter heel erg warm en na een uurtje krijg ik helaas hoofdpijn. Ik neem wat aspirines in en duik het bed in. Als de hoofdpijn tegen de avond gezakt is besluiten we om met een taxi naar Het Vat te gaan. Volgens de vriendin van Paul is dit ‘the place to be’. We zien hier echter alleen maar blanken en we lopen dus snel door naar de Waterkant. Hier zitten we veel gezelliger en we genieten van de oude soul muziek die uit een grote box galmt en onze borden met cassave met bakkeljauw en nasi-saté.

Op de terugweg komen we weer langs Het Vat en dan horen we ineens een reggae bandje spelen. De zanger is niet geweldig, maar we kunnen wel even lekker dansen. Het tentje heet La Caff en het is grappig om te zien hoe alle blanke studentes op zoek zijn naar mannelijk gezelschap. Terug in het hotel gaan we lekker slapen, maar in de nacht krijg ik het plotseling heel slecht. Ik ren naar het toilet en het komt er aan beide kanten uit. Gelukkig is Sander ook wakker geworden en hij ruimt lief alles op. Ik voel me inmiddels wel een stuk beter en ik ben dus blij dat ik het kwijt ben.

Vrijdagochtend 8 september worden we door onze gids Keith opgehaald voor een tweedaagse excursie naar Brownsberg. We gaan samen met twee stelletjes, waarvan de vrouwen (Ymke en Judith) in Suriname geboren zijn. Het zijn aardige mensen en de heren maken heerlijke droge opmerkingen. Dan zijn er ook twee mannen uit Friesland, maar hier hebben we geen klik mee. De gids valt een beetje tegen, hij lijkt er niet echt veel zin in te hebben?

Hij neemt ons mee naar het gebouw waar we zullen overnachten en verdwijnt dan. In het programma staat echter dat we een avondwandeling naar de Irene waterval gaan maken en we wachten dus braaf tot Keith ons komt halen. Na twee uur wachten is hij er nog steeds niet en we gaan op onderzoek uit. We vinden hem met een glas drinken aan de bar. Hij heeft het erg gezellig, terwijl wij dus aan ons lot zijn overgelaten. Hij vertelt dan ook dat de avondwandeling niet doorgaat.

We gaan dus maar terug naar de groep en vertellen hen het ‘goede nieuws’. Sander en ik willen de wandeling sowieso gaan lopen, ondanks Keith heeft gezegd dat het een zware route is. We moeten er rekening mee houden dat we eerst een uur moeten afdalen en daarna is het tweeënhalf uur omhoog klimmen. We moeten dus wel opschieten om nog voor het donker terug te kunnen zijn. Eric wil graag met ons meelopen, maar de rest van de groep heeft er inmiddels geen zin meer in.

Het afdalen is al best wel zwaar, maar dan staan we uiteindelijk toch bij de Irene waterval. We houden hier een korte pauze en besluiten dan om weer terug te gaan. De terugweg valt inderdaad behoorlijk tegen. Je moet zulke grote stappen zetten dat je benen gigantisch verzuren. Eric is erg lief en hij zegt telkens dat ik heel krachtig ben en dat zijn dochters van dezelfde leeftijd dit niet zouden kunnen. Zijn peptalk geeft dan toch net weer voldoende moed om een paar extra stappen omhoog te zetten.

Tot onze verbazing staan de dan ineens weer bij het beginpunt. We begrijpen er helemaal niets meer van. We zijn pas een uur en een kwartier met de terugweg bezig, dus we kunnen er onmogelijk al zijn. We hebben het dan blijkbaar toch heel snel geflikt? De rest van de groep is ook zeer verbaast, ze zijn heel erg trots op ons en we worden als winnaars onthaalt. Ze halen direct een heerlijke koude Parbobier, die wij met z’n drieën delen.

Hierna nemen we snel een douche en gaan dan naar de gezamenlijke ruimte voor het avondeten. Deze laat echter flink op zich wachten en we vallen inmiddels bijna om van de honger. Rond 21:00 uur kregen we een klein kopje soep met een beetje rijst. De mannen hebben hieraan niet genoeg, maar er blijkt niet meer te zijn. Terwijl wij netjes overleggen wie het laatste restje soep mag pakken, schept Keith het ineens op zijn bord. Hij heeft het bij mij nu officieel verpest, hij deed vanmorgen namelijk precies hetzelfde met de pasteitjes.

Na deze gigantische maaltijd gaan we terug naar het huisje om samen een bakje koffie te drinken. De hele groep is bij elkaar, maar uiteraard ontbreekt Keith weer. We zitten gezellig te kletsen, maar ik voel ondertussen telkens gekriebel op mijn wang. Ik besluit dus snel even naar binnen te gaan om Deet te pakken. Als ik terug ben voel ik echter gekriebel op mijn hand en als ik dan naar beneden kijk, zie ik een heel groot beest op mijn been zitten.

Ik spring van mijn stoel en ik begin in het wilde weg rondjes te rennen, terwijl ik gil als een puber in een achtbaan. Sander, Hans en Eric proberen ondertussen het beest van mijn been te meppen, maar ik blijf telkens net niet lang genoeg staan. Dan besluit Sander om eerst mij te vangen, waarna hij de griezel van mijn been verwijdert. Ik zie dan pas dat een wandelende tak was. Hij is zeker vijfentwintig centimeter groot, maar eerlijk gezegd niet eng genoeg om er ZO panisch van te worden. De rest van de avond worden hier natuurlijk contant grapjes over gemaakt.

Zaterdag 9 september staat iedereen lekker vroeg naast zijn bed. Vanaf het uitzichtpunt zien we de zon over het Brokopondo-meer opkomen. Aan de rand van het bos zijn ook brulapen aanwezig, ze zijn dichtbij en maken enorm veel herrie. Als we terug bij ons huisje komen blijkt Keith een uitgebreid ontbijt klaargezet te hebben. We zitten net gezellig te eten als een stukje verderop slingerapen in de boom blijken te zitten.

Een uurtje later vertrekt Keith met de groep naar de Leo waterval. Aangezien deze halverwege de Irene waterval ligt, besluiten wij om niet mee te gaan. Sander en ik volgen de bordjes naar de Mazoroni waterval. Het eerste gedeelte gaat nog over een vlakke weg, maar na een uurtje dalen we steil naar beneden af. De steekvliegen zijn vreselijk, we proberen ze met een handdoekje van ons af te meppen.

Als ik mijn veters herstrik komt er ineens een reusachtige cavia uit de bosjes stappen. We hebben geen idee wat het is, maar hij lijkt ongevaarlijk. Volgens onze folder moeten we dit steile pad eerst nog anderhalve kilometer afdalen. Ik ben echter bang dat het straks te zwaar is om weer naar boven te klimmen. We gaan dus terug naar de weg en we houden daar een Jeep aan. Door deze lift zijn we ook nog net op tijd voor de lunch.

Dan is het alweer tijd om te gaan. We rijden we over een hobbelige en stoffige bauxiet-weg terug naar Paramaribo. De overige mensen zamelen dan nog wat geld voor Keith in, maar ik ga een gids niet belonen voor zijn afwezigheid. Drie uur later zijn we weer in ons hotel, waar we de rode kleding maar gelijk in de prullenbak gooien.

Zondag 10 september willen we eigenlijk bij het zwembad liggen, maar er wordt net een kinderfeestje gehouden. Dit is al het derde feestje in een week en je hoort alle gasten dan ook flink klagen. We lopen dan maar naar de Waterkant om een heerlijke Pom te eten. We wandelen wat rond en besluiten om naar Joosje roti-zaak te lopen, hier zouden ze de lekkerste roti’s van Suriname moeten verkopen. Het blijkt echter een heel eind lopen te zijn en bij aankomst is de zaak ook nog eens gesloten.

We hebben ook gehoord dat je bij Chi Min heerlijke krab kunt eten, maar dit restaurant kunnen we helaas niet vinden. Mijn voeten zijn inmiddels kapot en we duiken dus maar het eerste de beste restaurant in. En ook hier blijkt de roti erg lekker te zijn. Uiteraard drinken we aan de Waterkant nog een paar glaasjes rum-cola. We raken dan aan de praat met twee Surinaamse jongen, waarvan eentje in Amsterdam blijkt te wonen.

We merken na een paar flessen Parbo-bier dat we toch wel een beetje veel gedronken hebben. Loeti ziet er inmiddels ook niet best meer uit en hij begint daarnaast aardig loslippig te worden. Hij vertelt over zijn illegale zaakjes en denkt op een gegeven moment zelfs dat ik een undercover agente ben. Het is nu dus wel tijd om te gaan, maar Loeti staat erop dat we ons door zijn neef laten brengen. Het is inmiddels 1:30 uur en ik weet niet of dit wel zo’n goed idee is.

Ricardo komt enkele minuten later aanrijden en hij lijkt uit een hiphop-video gestapt te zijn. Hij heeft een dure auto met drie tv-schermen. Dit kan geen zuivere koek zijn, maar we willen niet onbeleefd overkomen of ruzie veroorzaken. We stappen dus toch maar in en op dat moment stappen ook de twee andere in. Daar zitten we dan…midden in de nacht met drie vreemde mannen in een auto.

Ricardo rijdt wat rond en de omgeving begint steeds donkerder en meer afgelegen te worden. Ik heb inmiddels geen idee meer waar we zijn en dit voelt niet goed. Boos roep ik dat hij nu direct naar ons hotel moet rijden omdat we anders uitstappen. Ik probeer natuurlijk wat, maar het is allemaal bluf. Ricardo zegt dat hij toch niet weet waar ons hotel is, maar een paar minuten later staan we ineens voor de deur. We zijn enorm opgelucht en geven hem snel wat geld voor de rit.

Maandag 11 september gaan we naar het autoverhuurbedrijf om onze huurauto op te halen. Het blijkt echter niet te kloppen en ze proberen ons een handgeschakelde pick-up zonder 4WD te geven. We gaan dan naar Avis toe in de hoop dat zij wel een auto voor ons hebben. We hebben geluk want er wordt net een Hyundai Tucson 4WD ingeleverd. Het is een fijne auto en doordat je hoog zit heb je goed zicht op het verkeer. Daarnaast is een automaat wel handig, zeker omdat ze hier ook nog links rijden.

We halen onze zwemspullen en rijden dan richting de colakreek. Het is een leuke plek en er hangt een gezellige sfeer. Het water is inderdaad helemaal bruin. Aan de bovenkant is het water warm, maar iets dieper staat een koude stroming. De bladeren op de bodem, die het water de bruine kleur geven, voelen wel een beetje vies tussen je tenen. We eten hier een hapje en rijden dan weer rustig terug. Onderweg komen we in zo’n harde regenbui terecht, dat we door de voorruit bijna niets meer zien.

Onze hotelkamer blijkt helaas ook vol water te staan. De vloer en het matras zijn drijfnat, maar gelukkig zijn onze kleren wel droog gebleven. Eerst komt zowel het personeel als alle andere hotelgasten even een kijkje nemen, maar daarna krijgen we dan toch een kamer aan de overkant van het complex. Deze kamer heeft een mega groot bed en zelfs een douchekop met massagestralen. Vanavond warmen we de kliekjes op en gaan we lekker vroeg naar bed toe.

Dinsdagochtend 12 september staat Sander aan de rand van het zwembad en hij zegt dat ik hem er niet in durf te duwen. Ik weet niet precies waarom hij dit zegt, maar het is natuurlijk de Goden verzoeken. Een paar minuten later verdwijnt hij dan ook kopje onder. Alle hotelgasten liggen uiteraard ook in een deuk, maar ik ben nu natuurlijk wel voorzichtig en alert. Het duurt hierdoor ook wat langer voordat we uiteindelijk op pad kunnen gaan.

We rijden eerst nog even naar het centrum en kopen bij Jeruzalem Bazaar twee hangmatten en klamboes. Bij een platenzaak vind ik ook nog twee cd’s met oude soul muziek. Voor de lunch rijden we langs een broodjeszaak. Een jongen probeert mij hier te versieren, maar hij heeft een vreemde aanpak. Hij fluistert eerst zo zachtjes dat ik hem niet kan verstaan. Dan krijgt hij uiteindelijk in de gaten dat Sander buiten staat en vanaf dat moment weigert hij nog tegen me te praten. Mannen zijn hier inderdaad wel wat minder brutaal, maar dit is wel erg extreem!

We geniet onderweg van de heerlijke broodjes bakkeljauw, pom en varkensvlees. Richting Blakawatra rijden we een groot deel over een bauxietweg heen. Bij Caroline stopt de weg ineens en hier moet je met een boot de rivier oversteken. Het is inmiddels al laat dus we draaien de auto om. Als we even op de bauxietweg stilstaan, zien we ineens een grote zwarte kat oversteken. We hebben geen idee of het een panter of een poema is, maar het is wel erg indrukwekkend. Helaas zijn we te verbaast om een foto van het beest te maken.

Onderweg komen we dan ineens een bord ‘zwemplaats’ tegen. Het blijkt een kreekje te zijn waar wat locals aan het zwemmen zijn. Het water in deze kreek is ook bruin, maar de omgeving is veel mooier en natuurlijker dan bij de Colakreek. Na een korte politiecontrole zijn we voordat het donker is, weer terug bij ons hotel.

Na het douchen laten we ons door een taxi bij Chi Min afzetten. Het restaurant ziet er voor Surinaamse begrippen best chic uit en de prijzen liggen ook iets hoger. Voor 14 euro krijgen we echter een grote schaal met krab en het smaakt verrukkelijk. Het is alleen jammer dat de kraker kapot blijkt te zijn en we hierdoor dus met een onstevig schaartje moeten prutsen. Het werkt zo belabberd dat Sander een klodder zwarte-bonensaus in zijn ogen krijgt, wat behoorlijk prikt. We sluiten de avond weer af met een glaasje rum bij de Waterkant.

Woensdag 13 september worden alle gasten door de eigenaresse uitgenodigd voor een diner. Ze vindt het toch vervelend dat we overlast van de feestjes hebben gehad. We beloven dat wij er zullen zijn en rijden vervolgens naar White Beach toe. Er is hier met wit zandstrand aangelegd en in het water is ook een net gespannen om de Pirings buiten te houden. Het is wel erg commercieel en je moet hier werkelijk voor alles betalen.

Terug in het hotel zien we op de televisie dat er vandaag op White Beach een 40 jarige vrouw verdronken is. Haar levenloze lichaam ligt onder een wit laken, precies op de plek waar wij net daarvoor gezeten hebben. Dit voelt heel bizar en ik ben blij dat wij dus net op tijd weg waren.

Dan rijden we naar Overbridge toe, maar het is lastig te vinden. Op de borden staat dat we ons bij de beheerder moeten melden, maar die zien we nergens. Ook hier is een stukje water afgezet, maar het ziet er verder wel heel natuurlijk uit. Er staan wat hutjes en door alle bomen is er veel schaduw. We hangen onze hangmatten neer, maar na een tijdje verschijnen er donkere wolken in de lucht. Nog net op tijd zijn we bij de auto terug en dan begint het opnieuw heel hard te regenen.

In Paramaribo rijden we nog even naar Joosje om zijn roti te proeven en halen een bosje bloemen voor de eigenaresse van het hotel. Dan is het tijd voor een dutje, waarna we ons optutten voor het diner. De eigenaresse heeft een Indische rijsttafel gemaakt. Het is erg lekker en gezellig om even met iedereen te kletsen. Uiteraard sluiten we dag af met een glaasje rum bij de Waterkant.

We lopen laat in de avond terug naar ons hotel. Het is inmiddels lekker afgekoeld en we genieten van de wandeling. We komen soms in uitgestorven wijken terecht, maar we proberen deze plekken wel zoveel mogelijk te ontwijken. Dichtbij het hotel komen we dan een bewaker tegen en we hebben hem al eens eerder bij de Waterkant gezien.

Hij begint een gesprekje met ons, maar het wordt na een tijdje toch steeds vreemder. Hij vertelt bijvoorbeeld dat dit het jaar van de hond is. Dit betekent dat we elkaar niet moeten bijten en afblaffen, maar juist met elkaar moeten vrijen om kinderen te verwekken. Mijn verbazing bereikt echter een hoogtepunt als hij een brief aan Osama Binladen laat zien.

Hij noemt zichzelf ‘de koning van het woud’ in deze brief en ook zijn bankrekeningnummer heeft hij er in gezet. Uit nieuwsgierigheid vraag ik hoe hij deze brief op de juiste plek denkt te krijgen. Dan legt hij uit dat Osama stiekem in Guyana woont en regelmatig een drankje bij de Waterkant komt drinken. Ik moet echt mijn best doen om mijn gezicht in de plooi te houden. Na twintig minuten weet ik dit vreemde gesprek dan toch op een vriendelijke manier te beëindigen. Gierend van het lachen lopen we verder, onze avond kan niet meer stuk!

Helaas moeten we morgen de auto inleveren en dan is het weer tijd om naar huis te gaan. Dit land heeft mijn hart gestolen en ik maak mezelf dan ook de belofte dat ik hier ooit nog eens terug zal keren…