Nepal 2011

Nepal 2011

Ik ga dit jaar voor de eerste keer alleen op vakantie. Dat is best spannend, maar ik heb er ook heel erg veel zin in. De afgelopen maanden zijn behoorlijk pijnlijk geweest en het is dus fijn om alle hectiek rondom de scheiding en de verkoop van onze woning even te kunnen ontvluchten. Ik hoop tijdens deze reis innerlijke kracht en rust te vinden.

Vrijdag 4 maart vertrek ik rond middernacht vanuit Schiphol naar Nepal. In het vliegtuig wordt mijn geduld behoorlijk op de proef gesteld door een huilend kind en een fluitende man. Naast mij zit er ook nog eens een verliefd stelletje. Ik ben uiteraard blij voor hen, maar het zien van zoveel liefde doet ergens ook wel pijn. Er rolt dan ook een traan over mijn wangen als ik hierdoor aan ons gefaald huwelijk denk.

Na zesenhalf uur hebben we een tussenstop in Bahrein en gelukkig mogen we het vliegtuig even uit. Op de luchthaven staan overal van die ‘oliesjeiks’ in mooie witte gewaden en met grote gouden horloges om hun pols. In de rookruimte ben ik de enige vrouw en ik trek hierdoor wel veel bekijks. Terug in het vliegtuig blijken de tortelduifjes vertrokken te zijn en ik kan nu dus lekker bij het raam gaan zitten. We vertrekken eerder dan gepland en door de gunstige wind hoeven we ook nog maar vier uur te vliegen.

Zaterdag 5 maart landen we vroeg in de ochtend op de luchthaven van Kathmandu. Terwijl het vliegtuig over de landingsbaan rijdt voel ik ineens angst opkomen. Durf ik eigenlijk wel alleen door dit land te trekken? Heb ik deze reis wellicht geboekt om anderen iets te bewijzen? Ik voel me eenzaam en huilend kijk ik uit het raampje. Dan wordt er een hand op mijn hand gelegd en als ik omhoog kijk zie ik een vrouw van middelbare leeftijd. Ze zegt vriendelijk: ‘Ik weet precies hoe jij je nu voelt. Ik ben daar ook geweest, maar het komt allemaal goed!’.

Ik droog mijn tranen en voel mij door haar woorden sterker geworden. Ik pak mijn backpack uit de bagagebak en verlaat het vliegtuig. Buiten staan veel taxi-chauffeurs te wachten; ze zijn druk aan het roepen en zwaaien in het rond met naambordjes. Er moet ook iemand van hotel Moonlight staan, maar ik zie mijn naam nergens. Het is lastig zoeken, aangezien gewapende bewakers ons telkens de andere kant opjagen. Ik kan echter niet anders dan toch eigenwijs terug naar de ingang lopen. Het lijkt een kat en muis spelletje, waarbij aan beide kanten de irritaties oplopen.

Dan zie ik naast de ingang een groot raam met een brede vensterbank. Ik sluip er voorzichtig naar toe en ik ga stilletjes op de vensterbank zitten. Vanaf dat moment word ik eindelijk met rust gelaten. Ik kan nu dus even rustig alle bordjes bekijken, maar mijn naam staat er echt niet tussen. Ik had juist deze twee nachten van te voren geboekt, zodat ik opgehaald zou worden en een plek had om even te acclimatiseren. Na drie kwartier geef ik de moed op en ik realiseer mij dan dat ik er nu dus echt alleen voor sta.

Op dat moment komt er een Nederlandse vrouw naast me zitten en ik vertel haar dat mijn chauffeur niet is komen opdagen. Haar chauffeur is wel aanwezig en ze stelt vriendelijk voor om met haar mee te gaan. Niet veel later arriveren we dus in het Souvenir Guesthouse in het centrum van Thamel. Het hotel is goedkoper dan degene die ik eigenlijk geboekt had. Aan de overkant zit wel een hardrock-café en het gebrul is in mijn kamer goed te horen. Ik heb nu in ieder geval een bed, een warme douche en tot 20:00 uur stroom.

Eigenlijk is het ook best wel fijn om niet direct helemaal alleen te zijn. De vrouw van het vliegveld is tweeënvijftig jaar en heeft hier met haar negentien jarige zoon afgesproken. Hij is op wereldreis en na maanden reizen zien ze elkaar nu weer terug. Dan is er ook nog een Nederlands meisje van vijfentwintig jaar gearriveerd. Het meisje is ook voor de eerste keer alleen op vakantie, maar ze lijkt erg onvoorbereid op het vliegtuig gestapt. We moeten dan ook erg lachen om haar grote roze koffer, die ze zelf niet eens kan tillen.

We spreken af om onszelf even op te frissen en dan naar een restaurant te lopen. Ik poets mijn tanden en ga terug naar beneden, waar moeder en zoon al staan te wachten. Dan gebeurd er een lange tijd niets en we besluiten dus maar even op de kamerdeur van het meisje te kloppen. Als de deur opengaat verschijnt het meisje met haar haren en make-up perfect in orde en ze draagt een bloot zomers jurkje met hakschoentjes. Wij schieten uiteraard weer in de lach en het meisje merkt al snel dat hakschoenen in dit land geen verstandige keuze is.

Zondagochtend 6 maart voel ik me na een warme douche als herboren. Rond 7:30 uur vertrek ik gewapend met een fototoestel en een plattegrond. Volgens de eigenaar (Madan) kan ik het beste eerst naar de apentempel gaan en daarna bij de rivier de uitvaart van de prime-minister bijwonen. Ik besluit om naar de tempel te lopen, maar dat blijkt niet makkelijk te zijn. Ik moet dus heel erg vaak naar de weg vragen en meestal zit ik dan toch net weer verkeerd. De tuktuk-chauffeurs willen me uiteraard graag een lift geven, maar ik blijf stug volhouden.

Dan kom ik een jongen tegen die beweert een kortere route te kennen. Hij biedt vriendelijk aan om een stukje met mij mee te lopen. Ik weet niet of dit wel veilig is, maar ik besluit om het risico te nemen. We lopen kletsend over een bospad tot we uiteindelijk bij zijn woning aankomen. De jongen informeert nog even of hij verder mee moet lopen, maar ik geef eigenwijs aan dat ik het verder wel zelf kan. Ik vervolg het pad, die ineens dwars door allerlei tuintjes lijkt te gaan. De lokale mensen zijn verbaast om hier een toerist te zien en ze wijzen me vriendelijk de weg.

Uiteindelijk kom ik op een splitsing terecht en ik heb geen idee welke kant ik moet kiezen. Ik loop verder en hoor dan ineens kinderstemmen ‘Wrong way!’ roepen. Als ik achterom kijk zie ik kleine jongetjes op het dak van een woning staan en ze wijzen driftig de andere kant op. Ik sla het andere pad in en schreeuw nog even ‘Thank you!’ terug, waarop ik een ‘You’re welcome!’ hoor. Dit was echt grappig en met een glimlach op mijn gezicht geniet ik van de heerlijke omgeving en de behulpzame mensen.

De meeste mensen zijn heel erg vriendelijk, maar de jonge moderne vrouwen bekijken me heel boos. Ik weet niet waarom ze boos zijn, maar misschien kom ik daar nog achter? Ik voel me hier op straat soms net een bezienswaardigheid, want ik trek behoorlijk veel aandacht. Er komen ook telkens mensen naar me toe; sommige maken een praatje, anderen blijven zwijgend staan en een enkeling kruipt tegen me aan. Ik babbel vrolijk terug, negeer de zwijgers tot ze weglopen en bij de kleffers sla ik zelf op de vlucht.

Bij de tempel moet ik heel erg veel trappen op, het is een behoorlijke klim. De beloning is gelukkig de moeite waard. Het is een erg mooi complex en ik maak dan ook veel foto’s. Rond 11:00 uur val ik bijna om van de honger en dan zie ik ineens een restaurantje. In de zaak zitten lokale mensen en de bediening spreekt geen Engels. Gelukkig zitten er mensen te eten en dus wijs ik richting een bord. Ik krijg eerst een grote kan water, maar ik durf het niet te drinken omdat het kraanwater kan zijn. Niet veel later krijg ik drie pasteitjes met een kerrieprutje. Het smaakt erg lekker en het doet me aan een Surinaamse Roti denken.

Ik ben zeer verbaast als ik bij de kassa slechts 0,35 eurocent hoef af te rekenen. Ondanks dat ik nog maar weinig gedronken heb moet ik inmiddels wel naar het toilet. De eigenaar wijst echter naar de zijkant van het pand. Op de parkeerplaats zie ik een spaanplaten hokje en ik besluit om er een kijkje te nemen. Ik doe de deur open en zie een gat in de grond en een dikke laag smurrie tot aan het dak. Het is er bloedheet en de stank is vreselijk. Ik zou liever achter een struik gaan zitten, maar ik neem toch een hap lucht en stap dan dapper het vieze hokje in.

Als ik weer naar buiten kom staan er twee kleine meisjes te wachten. De oudste is een jaar of tien en spreekt me heel bijdehand met ‘sister’ aan. Ze is erg nieuwsgierig en wilt dat ik een foto van haar maak. Als ik de foto vervolgens op het schermpje laat zien heeft ze de grootste lol. Ik neem afscheid van de meisjes en neem een microbusje naar Boudhanath Stupa. Het is een half uurtje rijden en we zitten gezellig tegen elkaar aangedrukt. Kathmandu is echt een bende; het lijkt wel of deze stad op een vuilnisbelt is gebouwd. Mijn neus doet pijn van alle uitlaatgassen en mijn handen plakken non-stop. Het ritje kost 0,30 eurocent.

De stupa staat op een pleintje en er staan hoge gebouwen omheen. Het lijkt eigenlijk op een groot wit ei met een goud dakje erop. Onder het dakje zijn de ogen van Boeddha geschilderd. Aan de stupa hangen vrolijk gekleurde gebedsvlaggetjes in de wind te wapperen. Bij de tempel koop ik ook een slinger met gebedsvlaggetjes. Dan begint er een man tegen mij te praten, maar ik begrijp hem niet. Ik krijg van hem een stift en ik moet de namen van mijn dierbaren op de vlaggetjes schrijven. Vervolgens loopt hij met mijn vlaggetjes weg en hij gebaart dat ik hem moet volgen. Hij begint dan de vlaggetjes aan de stupa te hangen, wat overigens nog een lastig klusje blijkt te zijn.

Ik blijf netjes wachten, maar ik weet eigenlijk nog steeds niet wat er nu precies gebeurd. De man legt uit dat de wind nu alle gebeden en de namen met zich meeneemt. Op deze manier ontvangen mijn geliefden geluk en voorspoed. Ik vind het zo mooi dat ik er spontaan van volschiet. De man kijkt bezorgt en veegt snel een traan van mijn wang. Hij neemt me mee naar de overkant van de straat en trakteert op een cola, een bord momo’s en een sigaret. Hij blijkt al 25 jaar bij de tempel te werken, maar verder kunnen we helaas geen gesprek met elkaar voeren.

Ik besluit om naar Pashupati te lopen. Hier staat de Shiva-tempel en bij de rivier worden openbare crematies gehouden. Het is erg druk, maar misschien komt dit ook doordat de prime-minister vandaag gecremeerd wordt? Dan raak ik met een jongen aan de praat en hij weet veel over Nepal, het Boeddhisme en het Hindoeïsme. Hij biedt zichzelf vervolgens dan ook als gids aan. De jongen vertelt dat hij studeert en mij tegen een kleine vergoeding een rondleiding wil geven. Ik besluit om op zijn aanbod in te gaan, hij heeft namelijk wel interessante dingen te vertellen.

De jongen praat twee uur aan een stuk en hij sleept me overal mee naar toe. De vermoeidheid slaat echter ook toe en hierdoor begrijp ik ook steeds minder van zijn aparte Engelse uitspraak. Ik heb echter wel veel informatie gekregen en ook de crematies waren indrukwekkend. Het is apart dat overledene in dit land gewoon in het openbaar in brand gestoken worden. In Nederland gaan we dan toch wat geheimzinniger met de dood om. Ik besluit de rondleiding te beëindigen en ik geef de jongen 10,00 euro. Uiteraard krijgen we dan toch onenigheid over het bedrag. Ik vind het echter een zeer redelijk bedrag en daardoor vertrekt hij boos.

Ik zoek vervolgens een taxi en uiteraard pingel ik eerst de prijs even omlaag. De chauffeur kan het hotel echter niet vinden en hij blijft maar rondjes door de stad rijden. Ik heb ook geen flauw idee; het is een warboel aan straatjes en alles lijkt op elkaar. Als we het hotel dan eindelijk gevonden hebben, betaal ik hem toch maar het bedrag dat hij in eerste instantie vroeg. Ik zit nu met een kaarsje op mijn kamer, aangezien dit gedeelte van Kathmandu alleen op bepaalde momenten stroom heeft. Op dit moment krijgt dus een ander gedeelte van de stad stroom. Ik fris me dus even op en dan ga ik gezellig met de andere Nederlanders een hapje eten.

Maandagochtend 7 maart heb ik tot tweemaal toe een slechte start van de dag. Ik heb gisteravond de wekker gezet aangezien ik vandaag met de bus naar Chitwan vertrek. Ik voel me echter nog heel erg moe als de wekker gaat. Gelukkig voel ik me direct een stuk vrolijker als er stroom blijkt te zijn. Ik plug mijn telefoon in het stopcontact en ik zie dan een smsje van Ap: ‘Wat ben je toch een kanjer. Je hebt het bewezen Claudia, je bent een dame met ballen!’. Als ik echter onder de douche wil stappen zie ik op mijn horloge dat het pas 1:45 uur is. Het was dus helemaal niet de wekker, maar het smsje van Ap maakte mij wakker. Ik duik dus snel mijn bed weer in.

Ik word wakker van allerlei geluiden en mijn horloge geeft ineens aan dat het al 6:15 uur is. Ik begrijp er nu echt helemaal niets meer van. Waarom is mijn wekker niet afgegaan? Ik ren gelijk naar beneden, maar het is niet mogelijk om een latere bus te nemen. Dan ontstaat er paniek! Ik poets snel mijn tanden, prop mijn kleding in de tas en een kwartiertje later ren ik opnieuw naar beneden. Ik vraag aan Madan of hij me naar de bus wil brengen en dat is gelukkig geen probleem. Een paar minuten later scheuren we zonder helm door de straten van Kathmandu. Het is een opluchting als ik uiteindelijk toch in de juiste bus zit. Mijn wekker blijkt overigens op Nederlandse tijd te staan!

De bus is comfortabel en ik heb twee zitplekken waardoor ik ook mijn tas bij me kan houden. Dit is toch luxer dan de lokale bus waar ik dacht mee te reizen. Een collega heeft mij vertelt dat dit een gevaarlijke rit is, waarbij de bus dicht langs de afgrond rijdt. Hij heeft destijds een privéchauffeur voor de terugweg geregeld. Ik vind het eigenlijk wel meevallen, het is juist leuk om door de bergen te racen. Het doet me aan Jamaica denken. Tijdens de lunch raak ik in gesprek met een aardige vrouw uit Mumbai. We eten een bordje vers gemaakte mihoen, terwijl van het prachtige uitzicht over de heuvels genieten.

Rond 14:00 uur ben ik in Chitwan en de chauffeur van Sopana Lodge staat netjes te wachten. De kamer is leuk en de omgeving is erg mooi en rustig. Er arriveert ook een groep met oudere Denen, maar er kan nog geen glimlach vanaf. Ik vraag aan de manager (Naran) of ik met deze groep op excursies moet, maar gelukkig blijkt er ook een Nederlands stel te zijn. Ik vertrek dus met Sjoerd en Ina met een ossenkar naar een Tharu dorp. De Nederlandse eigenaren van Sapana Lodge ondersteunen deze dorpen en projecten. Sjoerd stapt hier per ongeluk in een grote mesthoop en zijn been wordt helemaal opgezogen. Hij is best geschrokken, maar Ina en ik moeten erg lachen.

In de avond eet ik een heerlijk stuk vlees met gember en knoflook. Dan mag ik op het kantoor even achter de internet-computer. Naran is een ontzettend aardige vent, maar hij is wel erg klef. Als ik ergens ben, duurt het nooit lang voordat hij ook verschijnt. Sjoerd en Ina vinden dat hij mij als een schaduw volgt. Op dit moment staat hij achter mijn stoel en kijkt brutaal mee op het beeldscherm. Zijn hand ligt op mijn rugleuning en ik werk hem snel (met een grapje) zijn eigen kantoor uit. Het is ook wel handig, want ik krijg bij hem alles voor elkaar.

Dinsdag 8 maart word ik door zingende vogeltjes en olifanten-gegrom gewekt. Het leven is prachtig hier! Na een heerlijk ontbijt gaan we op de rug van een olifant door de jungle heen. Er is ook een Nepalees mee, die constant zit te bellen. Hij is erg irritant en met zijn geschreeuw jaagt hij ook nog eens alle dieren weg. Na een tijdje spreekt Sjoerd hem aan, maar hij reageert niet. Hij geeft hem dan een paar flinke porren, waarop het gesprek dan toch beëindigt wordt. Na een korte ‘radiostilte’ pakt hij echter zijn telefoon weer. Ik steek dan met een strenge blik mijn wijsvinger naar hem op en tot mijn verbazing begint hij te lachen en stopt de telefoon weg. Tijdens de rit zien we neushoorns, krokodillen, apen en herten. Het wiebelt wel behoorlijk en we zijn daarnaast bont en blauw van de laaghangende takken.

Zodra ik van de olifant stap komt mijn schaduw (Naran) op de motor aangereden. Ik krijg van hem een lift naar de lodge. Het voelt heerlijk om weer even achterop een motor te zitten. Ik ga met een boek en een koud biertje op de loungebank zitten. Dan komt Naran met de huis-olifant aangelopen en ik mag hem appels voeren. Ina maakt ondertussen foto’s en hierdoor houd ik mijn hand net even iets te lang in zijn bek. Naran trekt snel mijn hand weg en vraagt hyperventilerend of alles goed gaat. De olifant had dus bijna mijn vingers tussen zijn kiezen vermaalt, tja…ik heb toch ook niet eerder met mijn hand in een olifantenbek gezeten!

Na de lunch gaan we op jeepsafari. We zitten vijf uur lang op een hard bankje te hobbelen. Het is vreselijk warm en er is geen dier te zien. Uiteindelijk komen we dan een neushoorn tegen. Hij staat op een paar meter afstand, maar toch stapt iedereen uit de jeep. In Kenia waren ze toch echt voorzichtiger met neushoorns. Ik besluit daarom om in de jeep te blijven zitten. Ik maak me hierdoor wel een beetje zorgen over de junglewandeling. We zijn erg blij als we uiteindelijk weer terug bij de lodge zijn. Mijn kont doet zeer en mijn hoofd bonkt.

Tijdens het avondeten zit ik met een Duits meisje en een Nederlandse en Engelse jongen aan tafel. Het is erg gezellig en ik vermaak me hier prima. Ik hoop dat ‘Kermit’ vannacht wel zijn kop houdt. Sinds vanmorgen hoor ik namelijk hele rare geluiden in mijn kamer, maar het enige wat ik kan ontdekken is dat kleine hagedisje.

Woensdag 9 maart gaan we eerst naar het Elephant Breeding Centre. Het is leuk om al die kleine olifanten te zien. Je mag helaas niet meer met ze spelen omdat stomme toeristen ze snoep en plastic gaven. We zien wel hoe de berijders de olifanten opmaken voor hun dagelijkse rit. Elke dag gaan deze olifanten naar de jungle toe om gras te eten. Het is vandaag best koud en het regent ook. Ik vraag bij terugkomst aan Naran of ik tijdens het badderen een eigen olifant kan krijgen. Dit is eigenlijk niet de bedoeling, maar toch regelt hij een olifant voor mij. Naran gaat ook mee naar de rivier om daar foto’s van mij te maken.

Slechts één Deens stel gaat mee het water in, de rest vindt het te koud en staan aan de kant te kijken. Ina en Sjoerd delen samen een olifant en ik heb nu dus mijn eigen olifant. Mijn berijder is een heel klein en dun mannetje. Hij helpt mij met opstappen, maar zonder een zitje voelt het toch heel anders. Je kunt je nu ook nergens aan vasthouden. Op het moment dat de olifant weer gaat staan, pak ik dus snel de middel van mijn berijder vast. Hij is echter zo dun dat mijn vingertoppen elkaar raken. Ik hoop toch dat hij dit grote beest goed de baas is.

Dit is wel echt HEEL erg gaaf! De drie olifanten lopen rustig richting de waterkant. Bij de rivier stapt mijn berijder af en zit ik dus alleen op het enorme gevaarte. Dan horen we plotseling een hoop getoeter, er is een olifant op hol geslagen. Het beest rent boos achter een man aan, terwijl de Denen nog steeds op zijn rug zitten. Mijn olifant blijft rustig en we wachten tot alles onder controle is. Gelukkig vallen er geen gewonden. De berijder vertelt dat het waarschijnlijk door zijn felgekleurde shirt kwam. Eerlijk gezegd begrijp ik die olifant wel; ik vind die man namelijk ook een arrogant balletje…ik denk dat hij dus gewoon mensenkennis heeft!

In het water zakt de olifant door zijn knieën en gooit me voorzichtig van zijn rug af. Hij gaat dan lekker op zijn zijkant liggen, terwijl wij water over hem heen gooien en lekker over zijn rug wrijven. Dan mag ik weer op zijn rug gaan zitten en wordt zijn slurf een douchestraal. Er komt heel veel water uit zo’n slurf en er zit ook aardig kracht achter. Ik geniet als een klein kind van dit alles! Het is wel een beetje zielig dat de anderen hun olifant alleen maar wassen. Het is best wel koud en na een tijdje begin ik zelfs te klappertanden. Een Deense jongen gooit lief zijn handdoek toe, die ik dan even om me heen kan slaan om op te warmen.

Na een hete douche ben ik weer aardig op temperatuur. In het restaurant krijg ik allerlei lieve opmerkingen omdat ze me blijkbaar stoer vonden. Ik ga snel op zoek naar de Deense man die ik heb zien filmen en hij belooft het filmpje per post naar mij toe te sturen. We mogen eigenlijk de wasmachine niet gebruiken, maar gelukkig mag ik mijn natte kleding toch even wassen. Ik was dan natuurlijk ook direct de geleende handdoek even. Dan is het alweer tijd voor de volgende excursie.

We varen eerst een stukje in een kano. Daarna krijgen we instructies over wat we moeten doen als we door een wild dier worden aangevallen. We vinden het toch wel spannend nu we horen welke beesten hier allemaal zitten. Dan beginnen we met twee begeiders aan de jungle-wandeling. Als snel zien we twee neushoorns in het water staan. Met de verrekijker zie ik dat ze met hun oren op het geluid van onze flits reageren. Ineens roept de gids dat we moeten rennen, maar wij denken dat hij een grapje maakt. Als de andere gids echter begint te rennen volgen we toch maar braaf.

Aan de andere kant van het water komen we pas weer tot stilstand. We lopen rustig verder en een paar minuten later zien we de neushoorns inderdaad aan de andere kant lopen. Ina en ik hopen dat we verder geen tijgers of beren zullen tegenkomen. Gelukkig zijn deze gidsen wel voorzichtiger dan degene tijdens de jeepsafari. Het is een prachtige wandeling en we komen gelukkig alleen nog maar bokjes tegen. Het is lief dat zowel de gidsen als het Nederlandse stel ook regelmatig foto’s met mijn camera maken. Hierdoor heb ik veel leuke foto’s van mezelf!

Tijdens het diner treedt een Tharu dansgroep op. We mogen zelf ook even meedansen en dat valt niet mee. Ik krijg hierna een glaasje cola aangeboden van de handdoek-Deen. Ik heb van het dansen best dorst gekregen en dus sla ik het halve glas achterover. Het blijkt echter hele sterke rum-cola te zijn en de Deen moet dan ook erg lachen om mijn gezicht. Naran probeert me op deze laatste avond nog even op date te krijgen, maar ik wijs hem vriendelijk af. Ik heb hier echt een hele mooie en fijne tijd gehad, maar morgen vertrek ik naar Pokhara.

Donderdag 10 maart pak ik mijn spullen en neem ik afscheid van iedereen. Ik schrik wel even als ik de rekening van het restaurant krijg. Er is hier natuurlijk geen supermarkt aanwezig, waardoor je drie keer per dag in het restaurant moet eten. Deze locatie past dus eigenlijk niet helemaal in een lowbudget vakantie, maar ik heb erg genoten. De eigenaar probeert me nog een paar dagen langer te houden en Naran vindt dit uiteraard een prima idee. Er is er echter een tijd van komen en er is een tijd van gaan…

De busreis valt me behoorlijk tegen, want ik voel me niet zo lekker. Pokhara is daarnaast drukker dan ik had verwacht. Er zijn veel hotels, winkels en het is erg toeristisch. Het is bloedheet vandaag en mijn rugzak hangt zwaar op mijn rug. Ik loop langs alle hotels op zoek naar een geschikte kamer. Veel hotels zijn duurder dan dat er in de reisgids staat of ze zijn ronduit ranzig. In Nepal maken ze sowieso niet echt schoon. Ze vegen een keertje en gooien dan een emmer water over het toilet en de muren. Uiteindelijk vind ik toch een redelijke kamer voor vijf euro.

Ik koop droge biscuits en een fles cola in de hoop mijn buik rustig te krijgen. Ik ga ook lekker vroeg naar bed toe. In de nacht word ik echter wakker en moet ik naar het toilet rennen. Ik heb daarnaast migraine gekregen en het bed ligt keihard. Het matras is ook niet veel dikker dan een tuinstoel-kussen en daaronder ligt een plank. Gelukkig heb ik een tweepersoonsbed en dus leg ik de matrassen op elkaar. Mijn botten doen nog steeds pijn en dus pak ik ook stiekem de kussens van de stoelen in de gang.

Vrijdagochtend 11 maart word ik om 9:15 uur opgehaald om te gaan paragliden. Gelukkig voel ik me inmiddels iets beter omdat ik strak sta van de medicijnen. Mijn begeleidster is een stoere getatoeëerde meid uit Californië. Ik ben totaal niet zenuwachtig, maar eenmaal op de berg begint het toch te kriebelen. Ik krijg een harnas aan en ik moet dan naar de afgrond rennen. Zij is ondertussen bezig om het zeil goed in de lucht te krijgen. Dan voel ik een harde ruk in mijn rug en ineens stijgen we op. Bij de laatste stap stond ze echter op de hak van mijn schoen. Ik houd mijn tenen krampachtige gebogen om mijn schoen niet te verliezen. Gelukkig kan ik de schoen toch weer over mijn hak schuiven.

We hebben een prachtig uitzicht en ‘glijden’ over de bergtoppen. Het meer ligt onder ons. Er staat wel een hele harde en koude wind. Een aantal roofvogels vliegen mee in de lucht en in de verte zien we andere paraglides. Haar vriend is ook in de lucht en eigenlijk wilt ze hoger dan hem gaan. Als we de juiste luchtstroom gevonden hebben draaien we dus in rondjes omhoog. Ik voel me door al dat gedraai wel steeds misselijker worden. Ze pakt haar camera om een filmpje te maken, maar dan begin ik te kokhalzen. Ik kan je verzekeren dat overgeven met windkracht tien geen pretje is. Ondanks dat ik voorover buig raak ik toch mijn wang en mijn broek.

Ik voel me wel direct een stuk beter! Gelukkig kan ik nu dus wel van de vlucht genieten. De landing gaat goed en het was echt een super gave belevenis. Het meisje vertelt dat mensen regelmatig moeten overgeven. Een ander meisje dat ook net terugkomt ziet er inderdaad ook een beetje pips uit. Bij het kantoortje krijgen we een dvd met de foto’s en het filmpje. Ik stuur Koen een smsje om hem over mijn avontuur te vertellen en hij moet er ook om lachen. Het is fijn dat we ondanks de scheiding normaal tegen elkaar doen, het is nu zelfs beter dan tijdens het huwelijk.

In het hotel eet ik eerst een paar droge biscuits en dan pak ik mijn tas weer in. Het meditatiecentrum is gelukkig dichtbij. Het ziet er in het echt toch anders uit dan op het internet. Ze zijn naast het centrum aan het bouwen, waardoor het uitzicht verdwenen is en het ook niet (meer) rustig is. Ik besluit me toch in te schrijven voor het meditatieweekend. Je moet tijdens dit weekend op het terrein blijven, er is geen internet en je telefoon gaat in een kluis. Verder mag je geen koffie, alcohol, vlees, drugs of sigaretten. Ik wil me aan de regels houden, maar zonder sigaretten wordt het er voor niemand gezelliger op. Gelukkig mag ik buiten het hek toch een sigaret roken.

De kamer is erg basic en ik deel de ruimte met twee andere meiden. Ik merk dat ik het allemaal toch best heftig vind en ik twijfel of ik hier wel wil blijven. Er is een heel strak schema en het voelt dus niet echt als vakantie. Elke ochtend gaat om 6:00 uur een harde bel en dan moet je binnen tien minuten in de zaal zijn voor de ochtendmeditatie. Daarna hebben we gelijk anderhalf uur yoga. Ik heb dan inmiddels zoveel honger dat ik van ellende bijna aan mijn yoga-mat begint te knagen. Het ontbijt bestaat uit een pancake of een bordje havermoutpap. Als je je laatste hap naar binnen schuift gaat die ellendige bel alweer. Het is dan tijd voor een twee uur durende Boeddhistische teaching, waarbij je je draai op het mediatiekussen echt niet meer kunt vinden.

Vervolgens staat de lunch voor ons klaar en hebben we een uurtje voor onszelf. Je kunt dan eindelijk even douchen of in het gras van het zonnetje genieten. De andere deelnemers vertellen dat zij nog maar eenmaal per week douchen. Hierna begint het hele programma opnieuw. Na de avondmeditatie mag je niet meer praten, het is dan namelijk de bedoeling dat je gaat nadenken over de dingen die je vandaag geleerd hebt. Rond 20:00 uur gaat de laatste bel en dan moet je verplicht gaan slapen. Het is dus best aardig dat ik mag roken, maar door het strakke programma heb ik er bijna geen tijd voor.

Zaterdag 12 maart merk ik dat ik het hier toch wel fijn vind. In het begin voelde ik veel verzet, maar nu geniet ik van de vaste structuur. Je moet van alles, maar je hoeft eigenlijk helemaal niets. Het is gewoon heel erg duidelijk en simpel, waardoor je nergens over na hoeft te denken. Ik vind de verhalen van de monnik ook erg interessant. Hij vertelt over de uitspraak van Boeddha, dat leven lijden is. Dat komt niet alleen door het leed dat ons overkomt, maar door onze zoektocht naar geluk. We zijn constant bezig om onze behoeftes te vervullen. We willen telkens allerlei dingen bezitten; maar zodra we het hebben, zijn we alweer bezig om het volgende te krijgen. Hierdoor zijn we niet dankbaar voor de dingen die we hebben, maar lijkt het gras bij de buren altijd groener. Mensen zouden dus minder hebberig moeten zijn, aangezien dit alleen maar voor meer onrust en onvrede zorgt.

Verder zorgt ons ego ook voor veel problemen. Een relatie zal na een tijdje ‘gewoon’ worden en hierdoor voelen we ons vaak minder gewaardeerd. Een gevoel van onvrede wordt dan groter, waardoor we op zoek gaan naar een andere partner. We voelen dan opnieuw de sensatie van verliefdheid en hopen dat deze persoon ons ego wel kan geven wat het nodig heeft. Dit zal uiteindelijk alleen maar voor meer lijden zorgen, want ook in deze nieuwe relatie zal het ego problemen gaan maken. Dit zijn dus hele wijze en serieuze lessen. De yogalessen zijn juist grappig, aangezien de leraar slecht Engels spreekt en overdreven ademt. Ik denk dat het nog wel een tijdje duurt voordat ik zijn ‘exhalgaaahh’ en ‘put upfaaahh’ uit mijn hoofd krijg!

Zondag 13 maart is de laatste dag dat ik in het meditatiecentrum ben. Het weekend is voorbij gevlogen en het liefst zou ik hier langer blijven. Na de laatste les nemen we nog even een groepsfoto met de monnik en dan zijn we ‘vrij’. We eten samen en we krijgen dan ook nog een flinke bak met popcorn. De manager van het centrum komt oorspronkelijk uit Tibet en in onze groep zit een Chinees stel. Zij vertellen over de onderdrukking in hun land en dat een film als ‘Seven Years in Tibet’ in China verboden is. De Tibetaan vertelt het verhaal over het verdwenen Lama-jongetje, maar het stel heeft dit nooit gehoord. Vreemd dat een land zijn bevolking kan isoleren van bepaald nieuws.

Vandaag liggen we natuurlijk ook netjes om 20:00 uur in bed, maar deze keer hoeven we niet stil te zijn. Ik lig dus nog een hele lange tijd met het Duitse meisje te praten en te lachen. Het was een geslaagd weekend en dingen kunnen dus toch echt anders zijn, dan je in eerste instantie denkt. Morgen ga ik dus weer vrolijk op pad.

Maandag 14 maart neem ik een taxi naar het Tibetaanse dorp Tashi Palkhel. Ik wil hier eigenlijk een gebed meemaken, maar helaas zijn de meeste monniken afwezig. Zij vieren het nieuwe jaar en veel mensen zijn daarom naar familie gegaan. Het is een heerlijk klein dorpje en de mensen zijn erg vriendelijk. Ze lopen hier met een grote glimlach rond. Als ik langs een jongen met gitaar loop vraag ik voor de gein of hij een liedje gaat spelen. Ik krijg dan een krukje aangeboden en een stel jongens beginnen te spelen en te zingen. Het klinkt vreselijk, maar dat mag de pret niet drukken. Ik klets onderweg met nieuwsgierige voorbijgangers en dan zie ik ineens een ander klooster. Een monnik geeft mij een rondleiding en hij vertelt dat ik eventueel ook kan blijven overnachten.

Ik besluit echter om toch naar Saragot te gaan, aangezien ik hier morgen de zonsopkomst wil zien. Ik word dan echter door iemand aangesproken die vraagt of ik weleens Yak-butter-tea heb gedronken. Hij laat de boter speciaal uit Tibet komen en nodigt me uit om het te proeven. De ingrediënten van thee, melk, zout, bamboe en boter spreken me niet echt aan, maar ik ben natuurlijk wel erg nieuwsgierig geworden. Onderweg vraag ik me af of het verstandig is om met een man mee naar huis te gaan. Bij aankomst blijkt ook zijn moeder thuis te zijn en hierdoor voel ik me een stuk veiliger. Moeder maakt de thee, terwijl de jongen vol trots het kleine huisje laat zien. De eerste slok smaakt vreemd, maar de thee is goed te doen. Ik heb meer moeite met de droge koekjes die ik telkens aangeboden krijg.

Het duurt allemaal wel erg lang en op een gegeven moment weet ik niet meer waarover ik nog moet praten. Dan wordt er een tweede kop ingeschonken, volgens de jongen brengt dit geluk. Met moeite drink ik ook het tweede kopje leeg. Inmiddels is zijn moeder ‘gezellig’ op de bank in slaap gevallen. Ik vertel hem dus dat ik hierna een taxi naar Sarogot neem. Hij vertelt dat je ook door het woud er heen kunt lopen, volgens hem is het een wandeling van twee uur. Dat lijkt me wel leuk, maar ik heb eerlijk gezegd geen zin meer in zijn gezelschap. De jongen geeft aan dat hij slechts een klein stukje met mij mee zal lopen, om het juiste bospad aan te wijzen.

We lopen door een opgedroogde rivier en klimmen over grote rotsblokken. Ik vind het toch wel een vreemde route en na een aantal bochten word het ook wel erg zwaar. Ik heb namelijk ook nog een volle backpack op mijn rug hangen. Telkens als ik vraag waar het bospad is, zegt hij dat we er bijna zijn. Na anderhalf uur klauteren komen we echter bij een droge waterval uit. Ik heb geen idee waar hij nu nog naar toe wilt gaan, maar dan zegt hij dat we de waterval omhoog moeten klimmen. Deze man is volgens mij gestoord, die steile wand beklimmen is echt geen optie! Dan denkt hij ineens dat we ook wel via het bos omhoog kunnen gaan, maar hij is niet heel zeker van zijn zaak.

Hij vertelt nu ook dat het misschien toch niet één pad door het woud is, waarschijnlijk zijn er toch splitsingen. Als ik daar verkeerd loop moet ik volgens hem maar heel langzaam gaan lopen. Die theorie begrijp ik niet, is langzaam verdwalen dan beter dan snel verdwalen? Ik heb er inmiddels flink de pest in en het is ook niet fijn om hier helemaal alleen met hem te zijn. Hij weet dat ik al mijn waardevolle spullen bij me heb en het is zo afgelegen dat ik pas in het regenseizoen ergens aanspoel. Dan stelt hij voor om toch mee naar Saragot te lopen en dan tevens mijn tas te dragen. Als hij ook nog eens over geld begint komt er echt stoom uit mijn oren!

Gelukkig zie ik dan drie vrouwen in het bos staan, ze zijn hout aan het sprokkelen. Ik ben blij dat ik niet langer alleen met hem ben. Hij vraagt de vrouwen naar de route, maar ik zie dat zij telkens met hun hoofd schudden. Toch zegt hij tegen mij dat we inderdaad via het bos kunnen gaan. Ik ben helemaal klaar met al zijn vage praatjes. Op dat moment maken de vrouwen aanstalten om weg te gaan en ik besluit om achter ze aan te lopen. Ik vraag mijn tas terug, maar hij wilt deze toch blijven dragen en hij hoeft er zelfs geen geld meer voor te hebben. Ik ben inmiddels zo boos dat ik agressief aan mijn rugzak begin te trekken. Ik loop hier verdomme al drie uur door een droge rivier, met niets anders in mijn maag dan een paar droge koekjes. Pleur een eind op vent!

Hij geeft mijn tas terug en ik begin boos achter de vrouwen aan te lopen. Zij lopen tot mijn verbazing over een soort pad en gaan dus langs al die grote keien heen. Deze route is veel makkelijker dan die wij gelopen hebben. De jongen blijft telkens naast mij lopen en hij lijkt zich ongemakkelijk te voelen. Hij vraagt ook steeds of ik nog steeds boos ben. Zou het hem echt dwarszitten? Na een tijdje zeg ik dus maar dat ik niet meer boos ben. Dat het vast miscommunicatie was, maar dat ik nu echt wil dat hij weggaat. Toch blijft hij dingen aanbieden om het goed te maken, zoals een gratis etentje bij zijn zus. Bij de grote weg gaat hij dan toch eindelijk naar huis.

Ik neem een taxi naar Saragot, maar helaas kan hij niet helemaal naar de top van de berg rijden. Hierdoor moet ik nog een half uur alle traptreden omhoog klimmen. Ik ben erg blij als ik dan toch eindelijk bij het hotel ben, het begint inmiddels ook al donker te worden. Ik heb de hele dag nog niets gegeten en ik bestel dus eerst een bordje eten. Aangezien dit nog een half uur duurt besluit ik ondertussen even te gaan douchen. Helaas valt de verlichting uit, waardoor ik op de tast mijn spullen moet zoeken. Hierdoor valt mijn shampoo fles in de toiletpot. Tijdens het afdrogen gaat de verlichting weer aan, waarschijnlijk dus een vochtprobleem.

Mijn kleding is ook helemaal nat geworden. Dit is echter een gezamenlijke badkamer en hierdoor moet ik dus eerst nog een stuk door de hal lopen. Ik besluit om mijn natte kleding dan toch maar even aan te trekken. Als ik echter uit de douche stap lig ik ineens in een spagaat in de gang. Mijn heup doet pijn en ik strompel naar mijn kamer. Na een tijdje op het bed te hebben gelegen neemt de pijn gelukkig af. Ik kan nu ook weer een beetje lopen, maar het voelt alsof er een spier verrekt is. Ik ga voorzichtig naar beneden om eindelijk te eten. Dan komt er een oude Amerikaanse man samen met zijn gids aan tafel zitten. Het is een aardige man en volgens mij zit hij goed in de slappe was.

De rest van de avond kletsen we een beetje en dan stelt hij voor dat ik morgen met hun mee terug kan rijden naar Phokhara. Dat scheelt dan toch weer in de kosten en zijn auto schijnt ook dichtbij te stoppen. De man gaat vervolgens naar zijn kamer toe en ik drink rustig mijn flesje bier op. Het is bizar hoeveel dingen er hier in één dag gebeuren. Mijn vertrek uit het meditatiecentrum voelt als een week geleden. Ik loop vervolgens naar de balie om mijn eten en drinken te betalen, maar dan blijkt de Amerikaan deze al betaalt te hebben. Het zal aardig van hem bedoelt zijn, maar toch voelt het een beetje vreemd…

Dinsdag 15 maart gaat de wekker erg vroeg. De oude man staat met een aantal mensen buiten te wachten en we lopen samen naar het uitzichtpunt toe. Hier heb je inderdaad een prachtig uitzicht op de zon die boven de bergtoppen opkomt. We maken een paar foto’s en dan ga ik mijn tas pakken. Ik rijd met de oude man en zijn gids terug naar Pokhara, waar hij ons op een ontbijt wil trakteren. We stoppen bij een duur hotel en ik weet niet hoeveel dit ontbijt kost, maar ik neem het er flink van!

Dan stelt de man voor om met hem mee naar de luchthaven te rijden. Hij vliegt straks naar huis en dan mag ik de rest van de dag gratis gebruik maken van zijn chauffeur en gids. Ik vind echter dat hij inmiddels genoeg betaalt heeft en ik wil verder niet afhankelijk van hem zijn. Ik ga dus op zoek naar een betaalbaar hotel, een pinautomaat en ik koop onderweg biscuits en een fles water. Bij een internetcafe boek ik ook nog even een busticket naar Kathmandu en tevens bevestig ik mijn terugvlucht naar Amsterdam.

Ik ben wel toe aan een rustige dag en ik besluit om met een boekje naar het meer te lopen. Uiteraard kun je hier niet in een bikini liggen, maar ik trek deze keer wel een mouwloos hemdje aan. Ik lig nog maar net in het gras of er komt een jongen bij me zitten. Ik maak vriendelijk een praatje met hem, maar dan komen er steeds meer jongens bij ons zitten. Na een tijdje geef ik aan dat ik nu toch echt mijn boek wil gaan lezen. Ze blijven echter brutaal om me heen zitten alsof ik een kampvuur ben. Ik pak mijn spullen op en besluit om dan zelf maar te verkassen.

De jongens roepen op afstand complimentjes en dat ze van me houden. Ik doe net alsof ik ze niet hoor en ik blijf geïrriteerder in mijn boek staren. Dan komen ze wederom bij me zitten en ik mag iemand uitkiezen om seks mee te hebben. Ik reageer boos en ik ga nogmaals een stuk verder weg zitten. Ze blijven echter vervelend en opdringerig. Dan komt er een jongetje van een jaar of negen zichzelf aanbieden voor seks. Ik vind dit zo walgelijk dat ik heel boos op hem wordt. Hij lijkt van mijn tirade te schrikken, maar ik weet niet of het enig verschil voor zijn toekomst zal maken. Als er dan twee tellen later weer eentje verschijnt schiet ik echt uit mijn slof. Ik ga schreeuwend voor hem staan en zet dreigend mijn voorhoofd tegen de zijne aan. Hij druipt af en ik ga terug naar mijn hotel.

Ik voel me heel erg rot en op dit soort moment mis je toch iemand die je even in bescherming kan nemen. Ik huil even flink uit en stuur mijn moeder een smsje zodat ik het hele verhaal toch even kwijt kan. Ik ga even slapen en daarna voel ik me gelukkig beter. Ik besluit mezelf op een ‘duur’ etentje te trakteren. Ik eet een bord rijst met geroosterd varkensvlees en groenten in massala. Als toetje neem ik een schaaltje yoghurt met vers fruit. Ik ben inmiddels zo gewend aan de lage prijzen dat ik een maaltijd van vijf euro al veel geld begin te vinden.

In het hotel is inmiddels een hele grote groep uit India gearriveerd. Twintig mensen schreeuwen door elkaar heen alsof het hotel in brand staat. Daar doorheen is ook nog het harde gebrom van een generator te horen. Zodra de generator aanslaat is er overigens ook geen water meer. Dat is niet bepaald prettig als je net met zeep in je ogen onder de douche staat. Er komt gelukkig nog wel een klein beetje water uit de gootsteen, zodat ik mijn gezicht kan afspoelen. In Nepal moet je je soms behelpen…

Woensdag 16 maart begint de terugreis naar Kathmandu. Dit zijn mijn laatste dagen in Nepal en dan moet ik weer terug naar de realiteit. Onderweg stopt de bus op een markt, waar ik drie banaantjes, twee mandarijnen en een fles water koop. Ik zie dan een klein knulletje van een jaar of vijf uit een vuilnisbak eten. Hij ziet er vies en onverzorgd uit. Ik steek een mandarijn naar hem uit, maar hij blijft schichtig staan. Ik lach vriendelijk en probeer mijn arm nog verder uit te steken. Hij doet dan toch een paar stappen naar voren en grist de mandarijn uit mijn hand. Op het moment dat ik wegloop schenkt hij me ineens een grote glimlach…die glimlach is goud waard!

Aangezien ik nog niet in een tuktuk gezeten heb, besluit ik hierdoor naar het hotel te laten brengen. Het blijkt geen comfortabel ritje te zijn, want mijn tas valt telkens uit het kleine bakje en ik stoot mijn hoofd pijnlijk tegen het lage luifeltje. Mijn hotel ligt op de hoek van Durbar Square. Ik koop daar een klankschaal en Pashmina sjaal. Ik vind het in dit land lastig om over de prijs te onderhandelen, want ondanks dat ik slechts 6,00 euro betaal heb ik toch het gevoel dat dit voor hun de hoofdprijs is. Op mijn hotelkamer is het een gigantische herrie; de hele dag toeterende auto’s, geschreeuw en blaffende honden. Zelfs met oordoppen in mijn oren word ik regelmatig wakker.

Donderdag 17 maart staat er een bezoekje aan Bhaktapur op de planning. Ik besluit om voor 0,20 cent een openbare bus te nemen. Dit is echter makkelijker gezegd dan gedaan en zelfs na dertig keer vragen weet ik het busstation niet te vinden. De entreeprijs is hoog, maar de gebouwen en tempels zijn prachtig. Ik besluit ergens te ontbijten en dan raak ik aan de praat met een Australische jongen. Het is hele knappe jongen en ik vermoed dat hij homoseksueel is. Na een tijdje raakt hij in gesprek met een andere man en ik met twee Nederlandse meisjes. Aan het einde van dag ga ik moe en hongerig terug naar hetzelfde restaurant. Heel toevallig komt dan ook de Australier weer aangelopen.

Hij vertelt dat de man hem probeerde te versieren en hem zelfs nog een tijdje heeft achtervolgt. Blijkbaar was ik dus niet de enige die dacht dat hij op mannen viel. Ik bestel een pizza, maar hij blijkt niet erg lekker te zijn. Dan komt er een jong meisje voorzichtig informeren of ze een stukje pizza mag. Ik nodig haar uit om naast mij te komen zitten en schuif het grote bord haar kant op. Ze is het blijkbaar niet gewend om met bestek te eten en probeert met alle kanten van het mes te snijden. Het meisje spreekt goed Engels. Ze vertelt dat ze twaalf jaar is en een jonger zusje heeft. Haar vader is door een ongeluk invalide geraakt en hierdoor eet het gezin alleen witte rijst.

Ik vraag haar of ze de rest van de pizza dan niet liever mee naar huis wilt nemen om met haar familie te delen. Ze begint dan van oor tot oor te stralen. Ik loop naar binnen en vraag aan het personeel om de halve pizza voor haar in te pakken. Ik ga direct even naar het toilet toe. Als ik naar buiten loop staat het meisje op mij te wachten, ze houdt het tasje trots in haar handen. Ze geeft een stevige handdruk en rent dan richting huis. Aan het einde van het plein draait ze zich nog even op, er staat een grote glimlach op haar gezicht en ze zwaait vrolijk.

Terug in het hotel is er nog steeds geen warm water. Ik heb me hierdoor gisteren ook al niet gedoucht, dus ik moet er vandaag toch echt aan geloven. Een koude douche vind ik verschrikkelijk en de rest van de avond ben ik dan ook een ijsklontje. Ik voel er daarnaast weinig voor om nog een hele dag in het drukke Kathmandu te moeten blijven. Ik besluit om dus een nieuw plan te bedenken en gelukkig mag ik hiervoor even de laptop van een stoned Deens meisje lenen. Na een tijdje kom ik op het idee om naar Patan te gaan.

Vrijdag 18 maart vertrek ik vroeg met de bus richting Patan. Ik vind aan de overkant van het historisch plein een hotel. Afgelopen nacht heb ik slecht geslapen door een smsje van Marloes, deze bleef namelijk de hele nacht in een loop binnenkomen. Ik loop drie uur lang over het historische plein van Patan en ik bekijk alle tempels. Uiteraard verdwaal ik onderweg weer een aantal keer en ik word ook nog eens met een waterzak bekogeld. Ik heb ineens helemaal genoeg van tempels, rochelende mensen, afval, stank, getoeter en drukte. De mensen op straat lijken de laatste dagen zelfs minder vriendelijk te zijn. Ik denk dat het misschien gewoon aan mij en de vermoeidheid ligt.

Ik ga ergens op een muurtje zitten; gewoon even helemaal niets doen. Uiteraard komt er al gauw weer een jongen naast me zitten. Ik heb er echter helemaal geen zin in om weer vriendelijk te moeten zijn. Hij vertelt dat hij een gids is en hij wilt me graag op een kopje thee trakteren. Ik ben bang dat hij toch mijn gids wilt zijn, ondanks dat ik hem duidelijk maak dat ik geen gids wil. Ik zal toch nog iets van de dag moeten maken en dus besluit ik met hem mee te gaan. Via een donker steegje komen we bij een tentje aan dat goed verborgen ligt voor toeristen. We drinken hier een kopje thee en hij betaalt inderdaad de rekening.

Hij stelt voor om nu ergens het lokale eten te gaan proeven, maar eigenlijk wil ik liever terug naar het hotel. Toch lopen we door de donkere steegjes naar een restaurant toe. Er zit een vrouw op de grond te koken op een open vuur en om haar heen staan allerlei potten en pannen. Op het dakterras blijken echter wel tafels en stoelen te staan. Ik krijg verschillende gerechten en de jongen is verbaast dat ik het niet te pittig vind. Hij vertelt dat hij een buitenlandse sponsor heeft, die hem elke maand geld voor zijn opleiding geeft. Na het eten bestelt hij nog rijstbier en een ander sterk goedje. Ik neem slechts een klein slokje, want ik wil wel graag helder blijven. Hij betaalt wederom de rekening, maar ik geef hem deze keer wel de helft terug.

Hij stelt voor om naar de Gouden Tempel te gaan en ik geef wederom aan dat ik geen gids wil. Hij zegt dat hij vandaag een vrije dag heeft en dat ik hem sowieso niet kan betalen. Ik moet lachen om deze bijdehante uitspraak en besluit het er dan toch maar op te wagen. In de tempel is een gebed gaande en buiten worden de bellen op traditionele manier geluid. Het is erg leuk en ik moet toegeven dat ik dit in mijn eentje nooit ontdekt zou hebben. Na deze bezichtiging wil ik dan toch echt terug naar het hotel. De jongen loopt mee en ik vraag me af wat hij van mij wilt. In het hotel trakteer ik nog even vriendelijk op een bananen-lasie en dan neem ik afscheid van hem.

Hij blijft echter van alles voorstellen; samen uit eten of poolen met zijn vrienden. Tijdens het eten heb ik zijn vrienden echter al gezien en ik moet eerlijk bekennen dat dit niet de beste types waren. Ik sla zijn voorstellen dus af en hij is zichtbaar teleurgesteld. Hij gaat uiteindelijk weg en tot mijn verbazing vraagt hij inderdaad niet om geld. Ik weet niet wat ik hiervan moet denken; is het vriendelijkheid, een versierpoging of toch een geldkwestie? Het is telkens wel erg lastig om weer vanaf te komen, terwijl ik over het algemeen toch best een duidelijk type ben.

Ik ga vervolgens op het dakterras van het hotel zitten. Lekker in het zonnetje en eindelijk even rust om mijn boek te lezen. Dan verschijnt wat personeel op het dakterras en ze beginnen een watergevecht met de buren. Het waterzakje dat vanmiddag gegooid werd was dus helemaal niet onvriendelijk bedoelt. Morgen word het Holi-festival gehouden en dan bekogelen mensen elkaar met verfpoeder en water. Tijdens dit festival wordt de lente gevierd, maar het is ook een feest van de overwinning van het goede op het kwade. Je moet het maar net weten…

Zaterdag 19 maart is het een enorme drukte op alle dakterrassen van Nepal en ook op straat zijn veel mensen op de been. Overal vliegen verf- en waterzakjes in het rond en iedereen is vrolijk. Het is wel een beetje jammer dat het Holi-festival net op de dag is dat ik vertrek. Een Duits gezin gaat wel even de menigte in en zij komen een kwartier later al helemaal gekleurd terug. Het is dus beter dat ik binnen blijf, want anders mag ik straks misschien het vliegtuig niet in. Gelukkig is het op het dakterras ook erg gezellig en ik ben druk alle zakjes aan te ontwijken. Een uurtje later vertrek ik richting de luchthaven om weer terug naar Nederland te vliegen.