Jamaica 2005

Jamaica 2005

Donderdag 25 augustus vertrekken we voor de derde keer naar Jamaica. In het vliegtuig heb ik een tweepersoonsbankje. Hierdoor kan ik af en toe even mijn dicht ogen dicht doen, maar toch valt de reis naar Curaçao tegen. Hier moeten we op de luchthaven een uurtje wachten voordat we uiteindelijk naar Jamaica vliegen. Als we in Royal Decameron Club Caribbean in Runaway Bay aankomen is het tweeëntwintig uur geleden dat we thuis de voordeur dichttrokken.

In Nederland hadden we al gelezen dat ze de cottages regelmatig overboeken en je dan een zogenaamde ‘upgrade’ geven naar een hotel in Montego Bay. Dat hotel is echter van een mindere kwaliteit. Ik heb daarom reisleidster Karin, die wij van onze vorige reis kennen, voor de zekerheid naar het hotel laten bellen. Helaas blijkt er bij aankomst toch geen cottage voor ons beschikbaar te zijn. Na wat onenigheid en een bezoek van een boze Karin verzekeren ze ons dat er morgen een cottage voor ons geregeld zal worden. Ter compensatie krijgen we de eerste nacht een Royal Room in een gebouw op het complex en een fles champagne.

De volgende ochtend word ik vroeg wakker en ik besluit om even naar buiten te gaan. Op het terrein is het nog stil, je hoort de vogeltjes fluiten en het is al lekker warm. In mijn eentje zit ik heerlijk op het strand te genieten, tot mijn sprookje abrupt wordt verstoort door een vreselijke herrie. Ik zie twee Jamaicanen met een rokende motor op een karretje rondrennen. Het hele complex verdwijnt al snel onder een dikke laag rook. Ik hoop dat het alleen uitlaatgassen zijn en niet ook nog een giftig stofje.

Het verjaagt in ieder geval niet alleen de muggen, maar ook ik ga snel terug naar de kamer. De rest van de dag relaxen we een beetje op het strand; even bijkomen van de reis en een beetje acclimatiseren. Op het strand is een leuke bar met schommelstoelen, we genieten hier van de lekkere cocktails en de nieuwste reggae-klanken. In de loop van de dag verhuizen we inderdaad ook nog naar onze cottages.

Zondag 27 augustus gaan we na het ontbijt met z’n drieën wandelen. We steken de hoofdweg over en lopen aan de overkant een heuvel op. Het is af en toe erg stijl en moeilijk begaanbaar, maar het uitzicht is prachtig. Onderweg passeren we verschillende communities en we worden telkens vriendelijk ontvangen. Veel mensen zien er netjes uit omdat ze onderweg zijn naar de kerk. Het is heel erg warm, de zon schijnt fel en wij zijn uiteraard weer eens zonder water vertrokken.

Behoorlijk dorstig komen we dan eindelijk een klein houten winkeltje tegen, maar er is helaas geen verkoper aanwezig. Dan begint een vriendelijke passant hard te roepen en verschijnt de verkoper, met een flinke joint op zijn lippen, uit het maisveld. Hij verkoopt helaas geen flesjes water, maar hij heeft wel cola en andere zoete drankjes. Daarnaast heeft hij ook geen wisselgeld, waardoor we uiteindelijk zijn kraam verlaten met een tas vol plakkerige blikjes. De tas lijkt na een tijdje steeds zwaarder te worden, maar door alle koolzuur kunnen we niet sneller drinken. Bij elke stap voel ik mijn buik klotsen en ik ben misselijk van alle zoetigheid.

Aan de andere kant lopen we de heuvel weer af en blijken dan weer op de hoofdweg uit te komen. Bij Devon House eten we een mega groot ijsje en rusten we even uit. Aan het begin van de middag zijn we terug in het hotel, doorweekt van het zweet en met fikse blaren op de bovenkant van mijn voeten. Als ik uit de douche stap breekt er een onweersbui los, dit is een staartje van orkaan Katharina. Vanaf ons bed kijken we ontspannen naar het natuurgeweld buiten.

Vandaag, dinsdag 29 augustus, zou onze huurauto bij het hotel worden afgeleverd, maar we zitten nu al een uur te wachten. Ik bel naar het verhuurbedrijf en krijg dan ineens te horen dat ik gisteren ter bevestiging had moeten bellen. Het bedrijf heeft ook een paar keer naar ons hotel gebeld, maar kregen dan telkens te horen dat wij niet waren ingecheckt. Tja, dit is echt Jamaica…no problem! Nu het misverstand de wereld uit is, vertrekt er een chauffeur vanuit Montego Bay. Twee uur later staat de chauffeur inderdaad voor ons hotel. We controleren de auto op deuken, krassen en andere gebreken. Dat het hele dak ooit met een schuurspons is gepoetst hoeft volgens hem echter niet op het formulier vermeldt te worden.

We willen de auto natuurlijk direct testen en ook ervaren hoe het is om aan het verkeer deel te nemen. In Jamaica rijden ze namelijk links, houden ze zich niet aan de regels en zitten de wegen vol met grote gaten. Er vallen in dit land heel veel verkeersdoden en langs de weg zie je dan ook overal waarschuwingsborden. Sander neemt plaats achter het stuur en hij rijdt ons stoer naar Ocho Rios. De sfeer in Ocho Rios lijkt ineens heel erg verandert, we worden telkens op een vervelende en bijna agressieve manier lastig gevallen.

Op een gegeven moment gaat iemand zelfs heel brutaal voor me staan en pakt mijn arm vast. Ik zeg dan de magische woorden: ‘Show some respect!’ tegen hem. Het is voor ons misschien niet voor te stellen, maar iemand geen respect tonen is hier een kwalijke zaak. Ieder Jamaicaan laat je, normaal gesproken, dan ook direct met rust. Deze kerel drukt echter zijn voorhoofd tegen mijn voorhoofd aan, kijkt me met een kille blik aan en zegt dan in het Patois: ‘Hoezo, ik verkracht je toch niet?’.

Op dat moment zie ik dat pa en Sander niets in de gaten hebben, zij lopen zelfs al een flink stuk verder. Ik schrik hier natuurlijk van, maar ik besluit om dat niet te laten merken. Ik begin dus in zijn taal “Whaaat? Bomboclaaat!! te vloeken en loop ondertussen natuurlijk wel bij hem vandaan. Hij laat het er gelukkig bij, maar hij blijft me wel heel brutaal nakijken. We besluiten om terug naar de auto te lopen en naar Discovery Bay en Orange Valley te rijden. We vermaken ons ondertussen weer prima en de vrolijke klanken van IrieFM galmen over onze speakers.

Woensdag 30 augustus vertrekken we vroeg voor een autoritje naar Nine Miles, maar we blijken al snel verkeerd te rijden. Er staan weinig verkeersborden langs de weg en de twee gekochte wegenkaarten verschillen van elkaar. Je moet dus telkens gokken omdat bepaalde wegen niet op de kaart staan aangegeven. Gelukkig is verkeerd rijden hier helemaal geen straf. We rijden door Brown’s Town, Clark’s Town, Jackson Town, Albert Town, Wait a Bit en Christiana. In het plaatsje Spaldings eten we bij een soort Pattie-Mac-Donalds een heerlijke pattie.

Terug in de auto gaan we dan toch de mist in en we rijden dus ineens aan de rechterkant van de weg. Gelijk komt er een Jamaicaan naar onze auto lopen, hij is zichtbaar bezorgt en drukt ons op het hart dat we echt links moeten houden. Onderweg merk je overigens wel veel verschil tussen de verschillende communities. De meeste Jamaicanen kijken een beetje verbaast als ze ineens drie blanke toeristen voorbij zien rijden, maar dan lachen en zwaaien ze vriendelijk. In sommige dorpjes merk je echter dat je aanwezigheid niet op prijs gesteld wordt, ze kijken dan heel boos en wij rijden dan ook braaf door.

Dan zijn er helaas ook nog plekken waar ze blanken lijken te verwarren met dollar-biljetten. In een piepklein en afgelegen dorpje stap ik enthousiast uit de auto om even de weg te vragen. Dan komen er ineens twintig mensen op me afrennen, ze schreeuwen om geld en hebben hun handen naar voren gestoken. Ik schrik, spring weer in de auto en sluit alle deuren. Er hangt een dreigende sfeer; ze gaan rond de auto staan en zijn boos omdat ze geen geld krijgen. Wij starten de auto en beginnen langzaam te rijden, gelukkig gaan ze dan wel aan de kant.

Dit zijn gelukkig wel uitzonderingen, want de meeste mensen zijn heel vriendelijk en behulpzaam. Als we bijvoorbeeld op een splitsing staan te twijfelen beginnen mensen driftig een kant op te wijzen. We lachen en zwaaien dan vriendelijk terug, maar ergens vragen we ons ook af hoe zij weten waar wij naar toe willen? Het klopt wel altijd! We rijden via Alston, Cave Valley, Clarkson Ville, Alexandria en Brown’s Town uiteindelijk weer terug gereden naar Runaway Bay. Qua kilometers is dit zeker geen grote afstand, maar door de slechte wegen doen we er zes uur over.

Vrijdag 1 september doen we nog een poging om naar Nine Miles te rijden. We gaan van Lydford, Claremont, James Hill, Cave Valley naar Aboukir. Dan rijden we uiteindelijk op de enige toegangsweg naar het graf van Bob Marley. Hier worden we tot onze verbazing door allerlei kleine kinderen aangesproken, ze proberen ons wiet te verkopen. Hun dealer staat een stukje verderop en het is de bedoeling dat we bij hem stoppen. Dit doen we uiteraard niet, wij zwaaien alleen even tijdens het voorbij rijden. Hij staat daar boos, met zijn handen in de lucht, naar ons te gebaren. Een heel bizar tafereel!

We rijden daarna door Claremont, via Carton en Green Park naar St. Anns Bay en via de hoofdweg weer terug naar Runaway Bay. Onderweg delen we zakjes met lolly’s en kleine cadeautjes uit aan de kinderen die we tegenkomen. Het is leuk om die blije snoetjes te zien. Dan komen we drie jongetjes tegen die aan het spelen zijn met een autootje gemaakt van een oliefles. Ik probeer stiekem een foto te maken, maar ze komen gelijk naar onze auto toe rennen. Het blijkt dat ze heel graag op de foto willen en als ze ‘m via het display terug zien zijn ze door het dolle heen.

Eind van de middag zijn we weer terug bij het hotel en we zien dan pas dat we een lekke band hebben. We moesten onderweg inderdaad een keer uitwijken door een enorm gat in de weg, waarbij de auto over een grote steen schoot. Met deze slechte wegen is het ook geen verrassing dat je je banden lek rijdt. Sander en pa leggen het reservewiel er onder en morgen zoeken we even naar een oplossing.

Zaterdag 2 september gaan we met onze lekke band naar de Shell. Er blijken twee grote scheuren aan de zijkant te zitten. De pompbediende verwijst ons naar een bandenwinkel naast de bar Tek-it-Easy. Het winkeltje blijkt niet meer dan een container te zijn. De vriendelijke jongen gaat aan de slag met bierflessen, planken en een lijmtang. Terwijl wij staan te wachten worden we door de mensen bij Tek-it-Easy nieuwsgierig bekeken. Het is een wazige tent en de mensen op het balkon zien er net zo uit. Dan roept een meisje ‘I like your style!’ en zij komt naar beneden toe.

Het meisje vraagt of ik met haar mee wil lopen naar de andere kant van het gebouw. Ik vind het een vreemd verhaal en ik vermoed dat ze geld gaat vragen, toch loop ik even met haar mee. We gaan op een muurtje zitten en ze begint vrolijk te kletsen. Het is een aardige meid, heel anders dan de meeste Jamaicaanse vrouwen van haar leeftijd…die zijn meestal heel arrogant. Ze is wel erg dun, ziet er ook een beetje viezig uit en heeft allerlei wondjes op haar armen en benen. Het zou mij niet verbazen dat ze een verslaafde prostituee is.

Dan komt er een oude en tandloze man het gebouw uitlopen en tot mijn verbazing probeert hij me te versieren. We lopen met z’n drieën gezellig te ouwehoeren en mijn bijdehante opmerkingen vallen erg in de smaak. Na een kwartiertje besluit ik weer terug naar de auto te gaan. Ergens verwacht ik dat ze nu toch om geld gaat vragen, maar dat doet ze niet. Ze blijft wel achter mijn kont aanlopen en probeert zelfs Sander nog even te versieren. Ze schrikt als ik ineens roep: ‘Hey likkle one, mi watching juh!’. Dan heeft ze pas in de gaten dat Sander mijn partner is. Ze biedt haar excuus aan en zegt dat ik haar vriendin ben. Ik mag haar altijd bellen als ik hier ruzie krijg, dan gaat zij voor mij vechten. Een vreemd ding, maar ik mag haar wel.

Driekwartier later heeft de jongen de band gevulkaniseerd en we rekenen JA$ 400,- (nog geen vijf euro) af. Op dat moment stopt er ineens een busje en iedereen begint te schreeuwen. Er worden kapmessen gehaald en bij de jongens in het busje denk ik een pistool te zien. Elke dag worden er in dit land zeker vier mensen doodgeschoten en dit de eerste keer dat ik me echt onveilig voel. Ik schreeuw tegen Sander en pa dat ze snel moeten instappen en we rijden een weggetje in. Deze loopt echter dood en we gaan dus maar weer rustig terug. Het busje is dan gelukkig weer verdwenen en er blijkt ook niets ernstigs gebeurd te zijn.

We zeggen iedereen netjes gedag en gaan dan een stukje rijden. Uiteraard nemen we al snel weer een verkeerde afslag en het kleine weggetje waar we op rijden lijkt niet voor auto’s bedoelt. Dan zien we een oud vrouwtje lopen en we vragen haar de weg. Volgens haar is dit toch de goede weg en ze verzekert ons het begaanbaar is. We vragen haar of ze misschien een lift wilt en een paar tellen later zit de oude vrouw dus naast mij op de achterbank. Ik moet stiekem lachen om de dikke uitgelubberde sokken om haar rimpelige enkeltjes. Bij een klein huisje, wat achteraf ook het enige huis langs dit pad blijkt te zijn, zetten we de vrouw weer af.

Het pad wordt hierna nog slechter en we hobbelen stapvoets verder. Na een tijdje is er slechts een bospad over en de grote keien knarsen en schuren aan de onderkant van de auto. Pa en ik besluiten om uit te stappen zodat de auto wat minder gewicht heeft en we lopen hele stukken naast de auto. Het is wel een prachtige afgelegen plek, maar we betwijfelen of het wel echt de bedoeling is dat we hier met de auto zijn. We doen drie uur over een afstand van vier kilometer, maar komen dan uiteindelijk toch op een betere weg uit. We zijn gebroken van deze rit en de rest van de dag gaan we dus lekker op een strandbedje liggen.

Zondag 4 september gaan we eerst naar Montego Bay en daarna rijden we in zuidelijke richting naar West Lacovia. Onderweg bezoeken we ook de Black River en Smith River nog even. Als we in Mandeville aankomen valt het ons gelijk op dat hier de rijke Jamaicanen wonen. Bij de Mac Donalds zijn zelfs veel blanken mensen aanwezig. Via Spaldings en Brown’s Town rijden we dan weer terug naar het hotel. Dit was onze langste route, maar doordat de wegen hier veel beter zijn gaat het deze keer ook een stuk sneller.

Maandag 5 september gaan we eerst naar een schooltje in Runaway Bay, hier zijn we vorig jaar ook geweest. Ik heb deze keer stiften, pennen en plakstiften meegenomen. Als dank zingen de kinderen een paar liedjes voor ons en het valt op dat deze liedjes ook nog eens opvoedkundig correct zijn. De leraressen zingen bijvoorbeeld ‘Watch your mouth when you speak’ waarop de kleintjes ‘and don’t curse!’ zingen. Hierna rijden we naar het hotel waar we vorig jaar zaten om CB even te begroeten. We mogen helaas niet naar binnen, maar de receptie roept hem wel even. Hij vindt het erg leuk om ons weer te zien en hij weet mijn naam zelfs nog. We kletsen even en dan moet hij natuurlijk weer aan het werk.

Door Port Maria rijden we via Richmond naar Lucky Hill. Op deze route kom je langs allerlei rivieren en zeker de White River is een erg mooie plek. In Runaway Bay brengen we de auto naar een wasserette, aangezien hij inmiddels helemaal rood is van alle stoffige wegen. We kiezen het duurste programma van vijf euro en geven de autosleutels aan een jongen. Terwijl wij in de schaduw zitten te wachten, zien we hem de auto met de hand wassen, hij zuigt de boel uit, reinigt de matten en poetst ook de gehele binnenkant. Het duurt zeker een uur en dan ziet de auto er mooier uit dan toen wij hem kregen. We gooien de tank ook nog even vol en gaan dan terug naar het hotel.

De volgende dag komen ze de huurauto weer ophalen en dit gaat gelukkig zonder problemen. De komende dagen relaxen we een beetje op het strand. We horen op de radio dat er allerlei wegblokkades zijn omdat de regering de prijzen voor elektriciteit, benzine, telefonie en kip wilt gaan verhogen. Ze roepen de bevolking op om mensen die naar hun werk moeten doorgang te geven en om vooral ook geen wapens te gebruiken. We zijn dus blij dat we onze huurauto inmiddels niet meer hebben.

Donderdagmiddag 8 september moeten we helaas weer terug naar huis. We hebben wederom genoten van dit land en we weten ook dat we hier voorlopig niet meer terug zullen komen.